Download onze iPhone of Android app

In het bezit van een iPhone of een Android gebaseerde smartphone? En wil je nu Technyx gelanceerd is geen van onze nieuwsberichten en reviews meer missen? Download dan snel onze app!

Met de Technyx apps kun je niet alleen de laatste nieuwsberichten en reviews lezen, je kunt ook direct producten opzoeken in de Technyx Prijsvergelijker. Dankzij een ingebouwde streepjescodescanner kun je wanneer je in een winkel staat supersnel de specificaties en oline prijzen opzoeken van een product dat je in handen hebt.

De apps zijn te downloaden op onderstaande URL’s:

Klik hier voor de Technyx iPhone app

Klik hier voor de Technyx Android app

Basiskennis: Compositie

Op de sluiter drukken kan iedereen. Maar een goede compositie vereist creatief vermogen, inzicht en ervaring. Los van de technische aspecten wordt de waarde van een foto grotendeels bepaald door de compositie. Een foto is een registratie van iets, maar een goede foto moet meer zijn dan dat. Die moet zonder woorden een soort verhaal vertellen en het liefst op een zo originele en interessant mogelijke manier. Het is daarom aan te raden om vooraf al over de foto na te denken. Wat wil je laten zien? Wat moet de foto vertellen of uitstralen? Wil je er een bepaald onderwerp uit laten springen of juist niet? Hoe geschikt is de omgeving waar je de foto wilt maken? Wat moet de gezichtsuitdrukking zijn (in het geval van een portret)? Probeer voor je op de knop drukt het eindresultaat visueel voor te stellen en bedenk hoe je dat kunt realiseren. In dit artikel helpen we je op weg met wat tips en algemene richtlijnen voor het maken van interessante composities.

Overzicht

Voordat we de tips op aparte pagina’s bespreken, eerst even een korte samenvatting met alles op een rij:
(onderaan iedere pagina vind je ook een index terug waar je op het onderwerp van je keuze kunt klikken)

  1. Inleiding
    (deze pagina)
  2. Onderwerp niet in het midden
    (dat maakt een foto saai) 
  3. Niet in het midden – deel 2
    (horizon en landschappen) 
  4. De regel van derden
    (verdeel je foto in drie delen) 
  5. Horizontaal of verticaal? 
    (portretten) 
  6. Horizontaal of verticaal? – deel 2
    (landschappen)
  7. Maak gebruik van scherptediepte 
    (een onscherpe achtergrond is mooi) 
  8. Groothoek of tele
    (wat en wanneer?)
  9. Kijkrichting
    (de beweging of de kijkrichting bepaalt de compositie) 
  10. Lijnenspel
    (lijnen versterken het onderwerp en het ‘verhaal’) 
  11. Voorgrond-achtergrond
    (voorkom platte foto’s zonder diepte) 
  12. Een duidelijk onderwerp
    (een leeg landschap is saai)
  13. Perspectief
    (een ongebruikelijk perspectief kan verfrissend zijn) 
  14. Anders dan anders
    (bijna alles is al eens gedaan, zoek de originaliteit) 

De horizon wordt ook vaak bewust of onbewust horizontaal en verticaal in het midden geplaatst. Ook dit is uitermate saai. Voor iemand die een foto bekijkt is het dan niet duidelijk of er naar de onderkant (bijvoorbeeld land of zee) of de bovenkant (de lucht) moet worden gekeken. Bij de foto hieronder staat de zon weliswaar exact in het midden, maar de horizon ligt bewust laag. De nadruk ligt daardoor op de lucht en de zon – niet toevalligerwijs de meest interessante delen van de foto. De voorgrond (onderkant) van de foto is niet interessant genoeg om meer in beeld te nemen, want die is (door het tegenlicht) helemaal zwart. Let er bij het fotograferen van een landschap, de zee, wolken of een zonsondergang dus op dat de horizon niet in de midden staat. Dat is nog storender dan het onderwerp in het midden. En het ergste is allebei (dus zowel de horizon als het onderwerp exact in het midden). Zie ook de ‘regel van derden’ (het onderwerp op de volgende pagina).

Landschappen

Ook voor landschappen gaat de ‘niet in het midden’-regel op. Fotografeer je bijvoorbeeld een boom of gebouw, probeer deze dan aan de linker- or rechterkant in je compositie te plaatsen. Het is altijd goed om een bepaald onderwerp van een foto er uit te laten springen, maar bij voorkeur niet door deze exact in het midden te plaatsen. Door bijvoorbeeld het onderstaande gebouw aan de linkerkant te plaatsen, ontstaat er een verbinding met het landschap op de achtergrond (waar het gebouw op uitkijkt). Zie ook de ‘regel van derde’ (op de volgende pagina), dat een direct verband houdt met de ‘niet-in-het-midden’-richtlijn.


Wanneer je een foto maakt zijn er enkele algemene regels voor de compositie. Eén van de belangrijkste daarvan is dat het onderwerp centraal moet staan. Maar dat moet echter niet zo letterlijk worden opgevat dat het onderwerp altijd precies in het midden moet staan. Liever niet zelfs, want dat is erg saai en ongeïnspireerd. Je krijgt dat erg veel ‘loze ruimte’ rondom het onderwerp, die totaal niet interessant is. De achtergrond rondom het onderwerp telt als het ware niet mee. Een symmetrische foto kan heel mooi zijn, maar je zult zien dat je foto’s er meestal beter van worden als het onderwerp buiten het midden plaatst.

Vergelijk de bovenstaande twee foto’s eens kritisch. Het betreft de lobby van het Hyatt hotel in de 420 meter hoger Jin Mao toren te Shanghai – van bovenaf gefotografeerd. In het eerste geval is de lobby in het midden gecentreerd. Hoewel het onderwerp interessant is, is de compositie wat saai, mede omdat er geen lijn in de foto zit. En dat terwijl er wel verschillende potentiële lijnen aanwezig zijn, zoals de railing dat naar beneden loopt. Bij de bovenste foto gaat je oog direct naar het midden – de omgeving links en rechts lijkt er niet toe te doen. In de tweede foto is de compositie spannender door de lobby aan de rechterkant te positioneren. Doordat de railing van boven naar beneden het oog naar de lobby leidt, ontstaat een speels effect. De uitstekende delen van de railing nemen je als het ware mee naar beneden. En uiteindelijk kom je door dit lijnenspel alsnog bij de lobby uit. De lijnen hebben dus een versterkende werking. Ze versterken de compositie.

Personen

Wanneer je je onderwerp altijd in het midden zet isoleer je deze als het ware van de rest. Zoals eerder gezegd; de rest lijkt er dan niet toe te doen. Stel dat je dit doet met personen, dan geldt daarvoor hetzelfde: alleen de persoon in het midden is belangrijk. Wanneer je het onderwerp juist bewust links of rechts op de voorgrond plaatst, verbind je de voor- en achtergrond met elkaar, wat het verhaal kan versterken. Als je ervoor zorgt dat er op de achtergrond iets staat wat een link heeft met het onderwerp, zoals een kantoorpand, een auto of de straat waar iemand woont of werkt, dan maakt dat de foto een stuk interessanter.

In de bovenstaande foto staat het hoofdonderwerp, het meisje in blauw, aan de rechterkant van het beeld en zijn de verhoudingen tussen voor- en achtergrond in balans. Het meisje staat weliswaar op de voorgrond, maar hoort duidelijk bij de andere twee. Ze trekt niet alle aandacht naar zich toe door in het midden te staan (waarbij de personen op de achtergrond alleen maar storend zouden worden).

De meeste mensen fotograferen ‘horizontaal’. Oftewel, de camera recht in de hand, zoals op de foto hieronder. Dat is oo nog zo gek, want zo zijn camera’s ontworpen. Je houdt ‘m met je linkerhand vast en met de rechterhand druk je op de knop. In de meeste gevallen, zoals landschappen, is dit meestal ook het mooiste. Maar er zijn ook situaties waarbij een compositie meer gebaat is bij een verticale, oftewel staande, foto. Je kantelt je camera dan 90 graden links omhoog en maakt op die manier een foto.

Portretstand

Het fotograferen in de verticale stand wordt ook wel de portretstand genoemd. Dat komt omdat het fotograferen van personen logischer is in de portret stand. Immers, mensen zijn ook verticaal gebouwd niet horizontaal. Een persoon die staat kun je het beste ook ‘staand’ fotograferen, oftewel in de verticale stand. Kijk maar naar de foto hieronder. Wanneer de foto in de normale horizontale stand zou zijn gemaakt, zou je links of rechts een heleboel loze zwarte ruimte hebben. Dat leidt meestal alleen maar af van het onderwerp.

Een verticale, staande foto (boven) en een horizontale, liggende, hieronder. Model (in beide gevallen): Marlies Schuitemaker van de band Aniday

Natuurlijk zijn er ook situaties waarbij je een persoon wel beter horizontaal kunt vastleggen. Bijvoorbeeld door lichaamstaal (zie hierboven) of door de achtergrond die een bepaalde rol speelt, maar dat als de persoon het hoofdonderwerp is, zijn dat meestal uitzonderingen. Oftewel, portretten kun je over het algemeen het beste maken in de verticale stand.

Om je te helpen bij het maken van een goede compositie – waarbij het onderwerp dus niet in het midden wordt geplaatst – bestaat er een algemene richtlijn: de zogenaamde rule of thirds, oftewel ‘regel van derden’. Deze regel komt erop neer dat je je compositie opdeelt in drie delen, met ieder weer drie subdelen. Zo ontstaat er uiteindelijk een vlak met negen blokken. De gedacht hierachter is dat het met deze methode onmogelijk is om nog iets in het midden te plaatsen. Het midden bestaat niet meer. Voortaan moet je kiezen: links of rechts, boven of onder.

Denken in derden

De gedacht is als volgt:denk voortaan in derden. Stel dat je een landschap met land en wolken fotografeert is het de bedoeling dat je éénderde en tweederde deel toewijst aan ofwel het land ofwel de lucht. Je voorkomt dan automatisch dat de horizon exact in het midden zit. Deze richtlijn dwingt je ook tot nadenken over wat interessant is aan je (toekomstige) foto. Afhankelijk daarvan kies je namelijk voor ofwel de lucht, of het landschap. In de praktijk wordt vaak voor het landschap gekozen (de afbeelding hieronder), tenzij de wolken in de lucht (of de zon) erg interessant zijn om naar te kijken. Is dat het geval, dat wordt voor een indeling volgens de foto hierboven gekozen.

En wanneer je een portret maakt, zorgt u ervoor dat de persoon ongeveer een derde van de foto in beslag neemt en dat de rest wordt opgevuld door de omgeving. Op de vorige pagina bespraken we al dat het saai is om een persoon helemaal centraal in beeld te nemen (uitzonderingen daargelaten). Ook wanneer je een groot object als een gebouw of een auto fotografeert kun je deze beter juist tweederde van het beeld in beslag laten nemen (tenzij de achtergrond ook van groot belang is). Een close-up van een portret of ander onderwerp mag natuurlijk veel meer ruimte in beslag nemen. Laat je creativiteit er vooral niet door afremmen, maar hou deze regel in je achterhoofd als houvast voor een goede compositie.

Praktijkvoorbeelden

Hoe ziet de vlakverdeling er uit bij een concrete foto? Zie bijvoorbeeld de foto hieronder van de dom van Keulen. Het hoofdonderwerp, de cathedraal, staat hier bewust links. De brug leidt het oog naar het onderwerp en versterkt daardoor de compositie. De kerk en de brug samen vormen in verticale zin samen tweederde van de compositie. Als je een lijn voor de horizon zou trekken is het duidelijk dat de lucht tweederde in beslag neemt en de voorgrond eenderde (ook al overlapt de voorgrond de achtergrond aan de rechterkant). De foto voldoet volledig aan de regel van derden. Ga maar eens met de muis op de foto staan, dan komt het lijnenspel in beeld. Je ziet dat zowel horizontaal als vertikaal een keuze is gemaakt.

50 mm, f14, 30 sec., ISO 100

Hetzelfde zie je bij de foto hieronder, van een boompje in de Egyptische woestijn. Ook deze foto voldoet aan de regel van derden doordat de grond circa een derde in beslag neemt en de lucht twee derde. Ook is de boom bewust aan de rechterkant geplaatst. Vanwege zijn bijzondere vorm, die naadloos aansluit op de bergen op de achtergrond, trekt hij automatisch de aandacht.

 

Waar de verticale stand redelijk gangbaar is bij portretten, is de horizontale stand dat voor landschappen. Voor een gemiddeld landschap werkt de horizontale stand meest het best. Maar laat je je er vooral niet van weerhouden om af en toe wat anders te proberen. Maak desnoods twee foto’s, een horizontale en een verticale, zodat je ze later thuis nog eens naast elkaar kunt houden. Soms voegt een bepaalde foto wat toe, bijvoorbeeld als er een bijzonder onderwerp is. In ieder biedt een een compleet andere blik, zoals te zien is aan de twee foto’s hieronder:

De foto hieronder geeft ook een goed beeld van een horizontale versus een verticale foto. De horizontale foto van dit monument is oké, maar er is erg veel ruimte aan de linkerkant. Door de foto verticaal te maken komt de nadruk meer te liggen op het monument zelf. Dat is geen kwestie van goed of fout, maar het gaat simpelweg om een andere impressie.

Afhankelijk van de lens, de camera en de telestand, kan een camera een beperkte scherptediepte genereren. Dat is mooi want daardoor ontstaat een vage, onscherpe achtergrond waardoor automatisch meer nadruk op het onderwerp wordt gelegd. Dit effect is bij spiegelreflexcamera’s groter dan bij compacts, vanwege de grotere lens en sensor.

Je kunt dit effect bereiken door bijvoorbeeld door een telelens te gebruiken en het onderwerp van enige afstand vast te leggen. Let er wel op dat er achter het onderwerp voldoende ruimte is tot het volgende object, want de mate van onscherpte is hiervan afhankelijk. Zorg dat het onderwerp helemaal scherp is en gebruik tegelijkertijd een zo groot mogelijke lensopening (zoals f2.8). Hoe groter de opening, des te onscherper de achtergrond wordt (en andersom). Het voordeel van deze opzet is dat de achtergrond niet afleidt en het onderwerp alle aandacht krijgt.

Spelen met scherpte en onscherpte

Je kunt dus met scherptediepte spelen om je onderwerp er beter uit te laten springen. Maar je kunt er ook op andere manieren mee spelen. Bijvoorbeeld door een deel op de voorgrond onscherp en de achtergrond scherp – of andersom. Dat kan soms hele spannende effecten opleveren die je compositie versterken. Zie bijvoorbeeld de onderstaande foto voor het verschil dat scherptediepte en een bepaald focuspunt kan maken. Beweeg met je muis over de foto om de voor- en achtergrond te wisselen.

 

Tijdens het fotograferen moet je veel keuzes maken. Al is het alleen al niet of je een foto maakt waar alles op staat of slechts een deel er uit licht. In het onderste voorbeeld zie een situatie met een waterval en een dorpje met bergen op de achtergrond. De eerste foto is gemaakt met een groothoeklens. Deze biedt een fraaie blik van de totale omgeving met de waterval op de voorgrond en de rest op de achtergrond. In plaats van deze foto zou het vanaf hetzelfde standpunt ook mogelijk zijn om met een telelens een bepaald onderwerp uit te lichten. Bijvoorbeeld alleen de waterval – of het kerkje en de bergen.

Een uitdaging bij een dergelijk landschap zijn de sterk verschillende lichtomstandigheden in de voorgrond en achtergrond. Zo ligt het dorpje in de felle zon en zit de waterval in de schaduw. Voor veel camera’s is dat een vrijwel onmogelijke taak. In dit geval is de foto gemaakt in RAW en later via beeldbewerking gebalanceerd (de schaduwpartijen licht, de achtergrond donkerder).

Inzoomen

In plaats van een totaalshot kun je ook een specifiek onderwerp kiezen, bijvoorbeeld alleen de waterval. Deze trekt daardoor de volle aandacht en doordat er geen afleidende zaken zichtbaar zijn. Ook is de waterval groter in beeld, wat tevens de impact vergroot. De keerzijde is dat een foto als deze weliswaar mooi is, maar ook ietwat saai. Juist een bepaalde achtergrond plaats een onderwerp in een beetje setting en sfeer, wat de compositie kan versterken.

Een belangrijk onderdeel van de compositie is de kijk- of beweegrichting van het onderwerp. De richtlijn is op zich vrij duidelijk: kijkt iemand naar rechts, dan plaats je het onderwerp links. De ruimte van de foto zit dan aan de rechterkant, waar het onderwerpen tevens naartoe kijkt. Dat versterkt het geheel. Anders kijkt het onderwerp de compositie uit en dat ziet er meestal gek uit.

Beweegrichting

Exact dezelfde richtlijn gaat op voor een bewegend onderwerp zoals een voetganger, motor of auto. Rijdt deze naar links, dan plaats je hem rechts. De ruimte aan de linkerzijde ligt dan open – niet geheel toevallig exact de kant waar het onderwerp naartoe beweegt. Stel dat het anderom is, dan rijdt je onderwerp (in dit geval de motor) als het ware de foto uit, terwijl er achter hem heel veel ruimte is. Compositie-technisch klopt dat niet. Over hoeft een onderwerp niet altijd perse in een linker of rechterhoek te staan, maar ‘bewegingsruimte’ tot het einde van de foto is wel een pré.

Deze richtlijn kan je helpen bij het maken van een goede compositie. Mocht het nu ter plaatse niet helemaal uit de verf komen, dan kun je het ook goed in gedachten houden bij het bewerken van je foto (in Photoshop bijvoorbeeld). Je kunt dan achteraf een uitsnede maken op basis van exact dezelfde richtlijn. Natuurlijk mits er voldoende ruimte rondom het onderwerp is.

Let bij het maken van een compositie ook op het lijnenspel. Mogelijk zijn er lijnen (straten, strepen, palen, hekken, draden) waarvan je gebruik kunt maken om je onderwerp te benadrukken. Gebruik bijvoorbeeld de strepen op een weg en plaats je onderwerp aan het einde daarvan. De lijnen trekken het oog dan naar het onderwerp en dat is een pluspunt. Natuurlijk zijn deze ingrediënten niet altijd aanwezig, maar maak er gebruik van als dat mogelijk is.

De Eiffeltoren in de foto hieronder springt zelf al direct in het oog door zijn blauwe kleur en het felle licht op de top, maar de weg ernaar vormt een lijn die het onderwerp nog verder versterkt. Je oog volgt automatisch de lijn en komt op die manier vanzelf bij het onderwerp uit.

De volgende foto ben je ook al tegengekomen op de tweede pagina, maar is ook een klassieker als het om lijnen gaat. De etages van dit hotel lopen als een spiraal naar beneden tot de lobby. Ook hier volgt het oog deze lijnen en komt zo uit bij de beganegrond.

De foto hieronder, van het Guggenheim museum in New York heeft eveneens een spiraalvorm, al die dat niet helemaal zichtbaar. In dit geval staat de bijzondere vorm zelf meer centraal. Kijk dus niet alleen recht vooruit, maar vooral ook omhoog en (indien mogelijk) omlaag.

Er zijn platte foto’s en foto’s met meerdere lagen. Een foto met meerdere lagen bestaat uit een voor- én een achtergrond die iets met elkaar gemeen hebben of elkaar aanvullen. Stel, je wilt een foto nemen van een diep dal. Je kunt dan een foto maken van alleen het dal. Er is dan echter geen referentiepunt, waardoor de diepte in feite minder groot lijkt. Je kunt het gevoel van de diepte versterken door een detail uit de voorgrond in de compositie mee te nemen (zoals een boom), zelfs als deze deels onscherp is. Meerdere lagen in een foto versterken de diepte en maken de compositie interessanter.

Foto’s van het capitool in Washtington zijn er zat. Een goed belichte foto met blauwe lucht en witte wolkjes is dan niet meer genoeg. Wees origineel en zoek naar elementen in de voor- en achtergrond. In dit geval is het stuikgewas als voorgrond gebruikt, waardoor de foto wat frisser oogt en je bovendien een gevoel van diepte (tot het onderwerp) krijgt.

Hierboven je de torenhoge flats van Benidorm (Spanje), Op de voorgrond zie je een golfparcour dat onderdeel is van een luxe resort. Nu had deze foto ook zonder golfbaan gemaakt kunnen worden – met alleen de flats en de bergen. Maar de voorgrond vergroot juist de afstand en het contrast. Het bijna surrealstisch omdat de twee onderwerpen niet direct bij elkaar passen.

De foto hierboven is van de woestijn in Oost-Egypte, net na zonsondergang. De foto is opzich niet heel bijzonder, maar de verschillende lagen maken hem interessant. Nu nog een vliegende vogel op de voorgrond en hij was echt ‘af’.

Soms is een blik op een bepaald landschap erg mooi. Toch komt het er op een foto niet altijd zo mooi uit te zien als we in gedachten hadden. Vaak komt dat doordat er een duidelijk onderwerp ontbreekt of er geen diepte is, wanneer er bijvoorbeeld geen verschil is tussen de voor- en achtergrond. Een lucht kan nog zo mooi zijn, een foto is pas ‘af’ wanneer er meer is dan dat. Al is het maar een vogel, een bootje, of een wandelaar.

In de volgende twee foto’s is dat goed te zien. De bovenste foto is weliswaar interessant vanwege de zonnestrallen die door de wolken prikken, maar doordat er verder niets bijzonders te zien is is hij saai. De foto daaronder, van een totaal andere plek en moment, tonen een vergelijkbaar wolkenspel, maar nu met een onderwerp op de voorgrond. Een kitesurfen die langs de zee loopt. Bovendien ontstaat er hierdoor een soort (kracht)verhouding; de overweldigende natuur en de nietige mens.

Bijna iedere foto is al eens gemaakt en dus is het de kunst om creatief te zijn. Een afwijkend perspectief kan verfrissend zijn. Fotograaf een onderwerp bijvoorbeeld niet recht van voren, maar van boven of beneden – zoals hieronder met een standbeeld van George Washington nabije Wall Street in New York.

Een afwijkend perspectief is een manier om foto’s origineel te houden. In plaats van plat van voren is hier gekozen om het standbeeld van onderen te fotograferen, met de gebouwen daar omheen die de lucht inwijzen. (16mm, f6/3, 1/100esec, ISO 400)

De foto hierboven is bijna vanaf de grond genomen. De jonge snowboarder lijkt zo op de top van een berg te staan. In werkelijkheid was er nog een skipiste met een bos op de achtergrond, maar die is door het lage standpunt niet meer te zien.

Naast algemene composities van een mooi onderwerp kun je ook je ogen open houden voor afwijkende zaken. Zelfs iets lelijks kan mooi zijn. Een afwijkende compositie kan heel verfrissend zijn. Leg verbanden met verschillende onderwerpen, zoek creatieve standpunten op en denk aan de ‘regels’, maar durf deze ook te overtreden. De genoemde ‘regels’ in dit achtergrondartikel over de compositie zijn slechts richtlijnen in de fotografie. En richtlijnen zijn niet heilig. Er van afwijken is soms heel verfrissend en origineel. En originaliteit is heel wat waard,

Eenvoud is soms ook mooi. Een foto van de sierlijke zandduinen in de Sahara woestijn, met ‘oneindige’ voetstappen.

Soms kan een sociaal-maatschappelijk contrast ook een foto interessant maken, zoals dit verloederd familiegraf met vuilnis, verkeerspionnen en een winkelwagen. Het is dan een meer journalistieke foto. 

Pure eenvoud. Een rotswand en een eenzaam doch fraai gevormd wolkje. 
 

Komt Canon met een 42x zoomlens?

Volgens CanonRumors.com is onlangs bekend geworden dat Canon een patent heeft ingediend van een 42x zoomlens. De lens zal waarschijnlijk gebruikt worden voor de opvolger van de SX30 bridgecamera die momenteel recordhouder is met 35x optische zoom. Een 42x lens zou een bereik van 28mm groothoek tot en met 1176mm tele opleveren (er van uitgaande dat de camera bij 28mm begint). Op die manier wordt een extreem dure lens als de Canon EF 1200 F5.6 L in één klap een stuk minder interessant.

Numerical Example

  • F = 4.36-180.0mm focal length
  • Fno = 2.54-5.74
  • 38.63-1.23 ° angle
  • Image height is 3.49-3.88mm
  • Total lens length 94.37-134.09
  • Back Focus 9.00-6.38
  • 41.24 zoom ratio
  • Two-sided aspheric

Optical system

  • Positive lead type zoom lens
  • Zooming, the object first and third groups, the group moved toward the second image
  • The third lens group for image stabilization
  • Expression rear focus lens group to focus on the fifth

Nikon D5100 aangekondigd

Nikon heeft een opvolger uitgebracht voor de D5000, de D5100. Net zoals zijn voorganger valt deze camera op door z’n uitklapbare lcd-scherm. De positionering van het scherm is wel veranderd ten opzichte van de D5000. De laatstgenoemde klapte uit naar onderen – wat in bepaalde situaties erg is, maar voor veel situaties (zoals op statief) ook weer niet. Het scherm van de D5000 functioneert op dezelfde manier zoals die van de Olympus E-5 en de Canon 60D en 600D. De D5100 gebruikt dezelfde 16 megapixel-sensor als de D7000 en ondersteunt ook 1080p hd-films. Hij wordt rond 21 april in de winkels verwacht voor een adviesprijs van € 699. Samen met de 18-55 VR kitlens moet hij € 809 gaan kosten.

Persbericht

Nikon breidt het DSLR assortiment uit met de D5100, een camera boordevol functies waarmee het maken van foto’s en Full HD-films leuker dan ooit wordt. De D5100 biedt u een nieuw creatief perspectief dankzij het verbeterde kantelbare LCD scherm, een stand voor speciale effecten en uitgebreide Full HD-film (1080p) mogelijkheden.

Zicht vanuit iedere hoek

De D5100 is de opvolger van de populaire Nikon D5000 en beschikt over een verbeterde kantelbare LCD-monitor. Ten behoeve van gebruik met bijvoorbeeld een statief wordt de monitor nu horizontaal geopend. Deze bewegingsvrijheid biedt enorm veel creatieve mogelijkheden in combinatie met Live View, want u kunt praktisch vanuit elke hoek opnamen maken zonder het LCD-scherm uit het oog te verliezen. Met de toegewijde bedieningsknop is de Live View functie op de D5100 nu bovendien nog gemakkelijker te gebruiken. De 7,5 cm (3 inch) LCD-monitor met hoge resolutie (circa 921.000 beeldpunten) is naast Live View natuurlijk ook ideaal voor het bekijken van foto’s en films.

Special effects

De D5100 is uitgerust met een nieuwe ‘special effects’ stand waarmee u unieke foto’s en Full HD-films (1080p) kunt maken. De reeks van zeven effecten omvat onder meer selectieve kleur, waarbij u maximaal drie kleuren voor de foto of film kunt kiezen terwijl andere delen monochroom blijven. U kunt selecteren met welke speciale effecten u opnamen wilt maken en de effecten zijn direct toegankelijk via de standknop boven op de camera.

Ook erg handig is dat u bij gebruik van de automatische stand geen rekening hoeft te houden met het onderwerp dat u fotografeert, want de automatische scènekeuzeknop kiest de meest geschikte instellingen voor de mooiste foto.

Schitterende Full HD-films

Met de Nikon D5100 kunt u moeiteloos wisselen tussen het maken van foto’s en films, de D-Movie knop bevindt zeer toegankelijk naast de ontspanknop. U legt alle actie met een snelheid van 30 beelden per seconde (bps) in Full HD (1080p) vast, u kunt kiezen uit diverse speciale effecten en de AF-F-stand waarborgt dat uw onderwerp altijd scherp is. Wanneer u klaar bent met filmen, kunt u de opname optimaliseren met de ingebouwde filmbewerkingfuncties en het resultaat door middel van de HDMI-aansluiting eenvoudig op een HDTV bekijken.

Totaal filmpakket met de ME-1 stereomicrofoon

Tegelijk met de D5100 introduceert Nikon ook een optionele stereomicrofoon, de ME-1. Met deze speciaal voor D-SLR’s ontworpen microfoon kunt u filmclips met stereogeluid van hoge kwaliteit opnemen, zonder dat autofocusgeluiden worden opgenomen. Deze microfoon vormt een uitstekende aanvulling op de uitrusting van elke kritische videograaf en verhoogt de kwaliteit van audio-opnamen, waardoor films die worden opgenomen met een D-SLR net zo goed klinken als ze eruitzien.

Deze unidirectionele microfoon vangt geluid zeer gericht op, zodat gebruikers precies kunnen opnemen wat ze willen horen. Storing door externe geluiden kan worden verminderd met de meegeleverde windkap, terwijl een schakelaar voor een laagafvalfilter extra controle biedt over geluiden met een lage frequentie. De gevoeligheid van de microfoon kan ook worden aangepast via het cameramenu, zodat u de invloed van het omgevingsgeluid kunt beperken.

De ME-1 kan eenvoudig worden bevestigd op de flitsschoen van de camera en wordt van stroom voorzien door de camera. De ME-1 is geschikt voor gebruik met alle digitale spiegelreflexcamera’s en COOLPIX-camera’s van Nikon met een 3,5-mm aansluiting voor externe.

Nikon beeldkwaliteit

De D5100 is uitgerust met diverse functies die zijn overgenomen uit de succesvolle D7000, waardoor het mogelijk is ook bij weinig licht mooie gedetailleerde opnames te maken met weinig ruis. De DX-formaat CMOS-sensor met 16,2 megapixels biedt zowel bij foto’s als bij films rijke kleuren en fijne details, terwijl het krachtige EXPEED-2-beeldverwerkingssysteem optimale prestaties van de sensor en een fraaie kwaliteit garandeert. Bovendien biedt de D5100 een uitgebreid gevoeligheidsbereik, zodat u ook in moeilijke lichtomstandigheden toch schitterende beelden kunt vastleggen – het ISO-bereik loopt van 100 tot 6400 en kan bij Hi2 worden verhoogd tot ISO 25600.

Nikon’s nieuwe HDR-functie (High Dynamic Range) ten behoeve van een hoog dynamisch bereik en de functie Active D-Lighting zorgen voor behoud van details bij extreme lichtcontrasten. Met HDR maakt de camera tijdens het ontspannen van de sluiter twee opnamen met verschillende belichtingsinstellingen die gecombineerd worden tot één beeld met een groter dynamisch bereik.

Haarscherp 11-punts autofocussysteem

Het 11-punts AF-systeem biedt een snelle en nauwkeurige autofocusdekking over het hele beeld. Vier AF-veldstanden, waaronder AF met 3D-tracking, zorgen ervoor dat de camera blijft scherpstellen op het onderwerp, zelfs wanneer de compositie in bijvoorbeeld actiescènes snel verandert. Dit kan worden gecombineerd met continu-opnamen met een snelheid tot 4 bps, zodat u snel bewegende onderwerpen echt mooi vastgelegd kunnen worden.

Belangrijkste kenmerken D5100

  • Kantelbare LCD-monitor: bekijk het leven vanuit een unieke hoek met de LCD monitor met hoge resolutie (921.000 beeldpunten) en een grote kijkhoek.
  • Live View met AF-standen: Live View biedt een directe manier om foto’s te nemen en de AF-standen houden het onderwerp scherp.
  • Stand voor ‘special effects’: met de nieuwe effecten van de D-SLR-serie, waaronder selectieve kleur en miniatuureffect, kunt bij het fotograferen of filmen nog creatiever te werk gaan.
  • DX-formaat CMOS-beeldsensor met 16,2 megapixels en EXPEED 2: overgenomen van de D7000 en biedt zelfs bij weinig licht een prachtige beeldkwaliteit.
  • Hoge ISO-gevoeligheid (100 tot 6400) die is uit te breiden tot Hi2 (equivalent met ISO 25600): behoudt bij weinig licht de details met weinig ruis.
  • D-Movie: Full HD-films (1080p) kunnen worden opgenomen met een snelheid van maximaal 30 bps. Eenvoudige bewerkingen kunnen op de camera worden uitgevoerd en films kunnen met behulp van de HDMI-aansluiting op HDTV worden bekeken.
  • Hoog dynamisch bereik (HDR): zorgt voor gedetailleerde opnamen van onderwerpen met een hoog contrast door twee opnamen te combineren die worden gemaakt wanneer de sluiter ontspant.
    • Active D-Lighting: behoudt details erg veel of weinig licht, zodat u zelfs wanneer het onderwerp beweegt zeker bent van uitgebalanceerde beelden.
    • Continu-opnamen van 4 bps: u mist nooit die ene unieke opname van een snelle actie.
    • Menu Retoucheren: biedt een reeks effecten voor nabewerking op de camera, zoals effecten voor filmbewerking en beelden vergroten/verkleinen.
    • Picture Controls: met beeldinstellingen kunt u voor de opname het uiterlijk en de sfeer van uw beelden instellen. U hebt de keuze uit zes instellingen: Standaard, Levendig, Neutraal, Monochroom, Portret en Landschap.
    • Onderwerpstanden: camera-instellingen, waaronder Picture Controls en Active D-Lighting, worden automatisch aangepast, zodat het resultaat altijd optimaal is. Voorbeeldfoto’s op de monitor helpen u de juiste stand te selecteren.
    • Infrarood-ontvangers aan de voor- en achterzijde: waarborgen een maximale bruikbaarheid van de optionele ML-L3 afstandsbediening bij het maken van zelfportretten of close-ups.
      • GPS-compatibel: met behulp van de optionele GP-1 GPS-unit wordt een zogenaamde geotag opgeslagen in het fotobestand met daarin de exacte locatie van de genomen foto.
      • Dubbel geïntegreerd stofverwijderingssysteem: het systeem voor beeldsensorreiniging en het Airflow Control-systeem zorgen dat de beeldsensor van de camera stofvrij blijft. Dit levert heldere beelden zonder stofvlekken op.
      • Stereogeluid: met Nikon’s optionele stereomicrofoon ME-1 die speciaal voor D-SLR’s is ontworpen, kunt u zonder AF-geluiden filmclips met stereogeluid van hoge kwaliteit opnemen. De microfoon wordt geleverd met windkap en zachte tas als accessoires.

De D5100 is verkrijgbaar vanaf 21 april 2011 voor een adviesprijs van € 699 voor de losse body en € 809 voor de D5100 18-55 VR kit. De ME-1 extenre microfoon is omstreeks dezelfde datum leverbaar en heeft een adviesprijs van € 149. De ME-1 wordt bovendien geleverd met een windkap en een zachte tas.

Specificaties (vergeleken met de D5000)


Algemeen
 
Merk Nikon Nikon
Productnaam D5000 Body D5100 Body
Productcode VBA240AE VBA310AE
Details Productinfo Productinfo
Specificaties
Type camera Spiegelreflexcamera Spiegelreflexcamera
Resolutie 12,3 MPixel 16,2 MPixel
Beelden per seconde 4 fps 4 fps
Max. fotoresolutie (horizontaal) 4288 pixels 4928 pixels
Max. fotoresolutie (verticaal) 2848 pixels 3264 pixels
Beeldverwerking Expeed Expeed 2
Type beeldsensor CMOS CMOS
Beeldsensor formaat APS-C (1.5x) APS-C (1.5x)
Type beeldscherm TFT TFT
Beeldschermdiagonaal 2,7 inch 3,0 inch
LCD aantal beeldpunten (dots) 230000 921000
Kantelbaar scherm
Live view
Ingebouwde flitser
Automatisch scherpstellen
Handmatig scherpstellen
Automatische belichting
Rode ogen-reductie
Foto’s – JPEG
Foto’s – RAW
Sluitertijd (min.) 4000 sec^-1 4000 sec^-1
Sluitertijd (max.) 30 sec. 30 sec.
Verwisselbare lens
Automatische witbalans
Handmatige witbalans
Zelfontspanner
Aansluitingen
PictBridge compatible
USB 2.0 aansluiting
HDMI-aansluiting
Type HDMI-aansluiting mini-HDMI (Type C)
Fysieke eigenschappen
Afmetingen – Hoogte 10,4 cm 9,7 cm
Afmetingen – Breedte 12,7 cm 12,8 cm
Afmetingen – Diepte 8 cm 7,9 cm
Gewicht 560 gram 560 gram
Minimale werkingstemperatuur 0 °C 0 °C
Maximale werkingstemperatuur 40 °C 40 °C
ISO-gevoeligheid
ISO 50
ISO 80
ISO 100
ISO 125
ISO 200
ISO 400
ISO 800
ISO 1600
ISO 3200
ISO 6400
Opslag
Secure Digital
Secure Digital High Capacity (SDHC)
Secure Digital Extended Capacity (SDXC)
Video eigenschappen
Video opnemen
Max. videoresolutie (horizontaal) 1280 pixels 1920 pixels
Max. videoresolutie (verticaal) 720 pixels 1080 pixels
Meegeleverde kitlens
Inclusief kitlens?
Tweede kitlens
Inclusief tweede kitlens?



Samyang kondigt fish-eye lens voor systeemcamera’s aan

De Koreaanse lenzenfabrikant Samyang heeft aangekondigd dat het werkt aan lenzen die exclusief ontworpen zijn voor systeemcamera’s. Zo heeft het bedrijf een persbericht uitgestuurd waaruit blijkt dat men een 7,5mm fish-eye lens heeft produceerd voor de MicroFourThirds (MFT)-vatting van Olympus en Panasonic. De lens biedt een beeldhoek van 180 graden en een lichtsterkte van f3.5. Hij beschikt niet over autofocus, maar voor een fish-eye is dat niet heel problematisch omdat alles al vrij snel scherp is.

PERSBERICHT

Samyang 7.5mm 1:3.5 UMC Fish-eye MFT – prototype of the Fish-eye lens for Micro Four Thirds cameras

Delta company, the sole representative and distributor of Samyang Optics products for Europe, is proud to introduce the prototype of new manual fish-eye lens compatible with Micro Four Thirds cameras. Samyang 7.5mm 1:3.5 UMC Fish-eye MFT is a ultra wide-angle manual lens providing 180° angle of view. Apart from compact sizes, it combines the best features of the popular model with 8mm focus, providing the highest-quality optics closed in a compact and visually stunning casing. Samyang 7.5mm 1:3.5 UMC Fish-eye MFT is the first model in the new series of lenses designed especially for compact cameras featuring the replaceable optics.


De MFT fish-eye-lens in vergelijking met Samyang reguliere 8mm fish-eye-lens

Canon 8-15mm fisheye en telelenzen vertraagd door aardbeving Japan

Op de Japanse website van Canon staat een bericht met betrekking tot de aardbeving in Japan. Er staat onder andere dat de fabriek in Utsunomiya is getroffen, waar EF lenzen worden geproduceerd. Onder andere de splinternieuwe 8-15mm F4 L fisheye en de 300mm F2.8 IS II en 400mm F2.8 IS II zouden in maart 2011 voor het eerst uitgeleverd worden, maar dat is nu tot nader orde uitgesteld. Wanneer ze wel op de markt komen is onduidelijk, maar onbestevigde berichten spreken over juli. 

Patriot SDHC kaartje doet 20 MB/s

Middels een persbericht heeft Patriot de nieuwe reeks Lx Pro SDHC geheugenkaartjes gepresenteerd. Deze kaartjes voldoen aan de Class 10 specificaties en zouden daarmee geschikt zijn voor fotografen en filmmakers die snel grote hoeveelheden aan data moeten verwerken. Patriot laat verder weten dat de Lx Pro-serie dusdanig geconstrueerd is dat de dataoverdracht met maximaal 20 megabyte per seconde zou gaan, dit is sneller dan de minimale 10 MB/s die de Class 10 specificaties voorschrijven.

Qua opslagcapaciteit kunnen gebruikers kiezen voor 16 GB en 32 GB. Vanaf deze maand zouden de SDHC geheugenkaartjes in de winkels verkrijgbaar moeten zijn met een adviesprijs van $35 USD voor het exemplaar met 16 GB en $60 USD voor de variant met 32 GB.

Basiskennis: Videofilmen met een fotocamera

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook. Het is allang niet meer zo dat je daar een camcorder voor nodig hebt. Sinds het digitale tijdperk is filmen leuker en makkelijker dan ooit tevoren. En sinds de intrede van hd en filmende spiegelreflexen is de kwaliteit enorm toegenomen en kun je met een fototoestel scherptediepte effecten berijken die met een videocamera niet mogelijk zijn. Toch zijn er wel een aantal punten om op te letten wanneer je met je camera wilt filmen.

Het duurde niet lang voordat digitale camera’s ook een filmfunctie kregen. Immers, de sensor was ertoe in staat en het beeld was toch digitaal. Aanvankelijk was de resolutie zeer beperkt evenals het aantal beelden per seconde, waardoor het er niet echt uit zag. Maar dat is nu verleden tijd – helemaal sinds moderne camera’s ook in hd-kwaliteit kunnen filmen. Zelfs digitale spiegelreflexcamera’s zijn er tegenwoordig toe in staat (in feite dankzij een doorontwikkeling van live-view). Dankzij de grotere sensor zijn de filmbeelden van een spiegelreflex kwalitatief nog een stuk beter dan die van een compactcamera, wat vooral merkbaar is onder slechte lichtomstandigheden. Ook is de beperkte scherptediepte die een spiegelreflex biedt (in combinatie met lichtsterke lenzen) fenomenaal – waardoor de kwaliteit van professionele films haast geëvenaard wordt en een echte ‘film look’ mogelijk is.

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook!

Beperkingen

Er zijn soms wel een aantal beperkingen. Zo is het bijvoorbeeld met spiegelreflexcamera’s vaak niet mogelijk om automatisch scherp te stellen tijdens het filmen. Sommige modellen kunnen het wel, maar het gaat dan zeer traag of werkt alleen maar met gezichten (op basis van gezichtsherkenning). Gelukkig is scherpstellen ook niet altijd nodig; vooral na in- of uitzoomen of bij een bewegend onderwerp is het van belang. Een andere handicap is dat sommige compactcamera’s niet of beperkt kunnen zoomen tijdens het videofilmen. Nu is zoomen in de officiële filmwereld ook niet echt gewenst, maar voor het vastleggen van bijzondere gebeurtenissen kan dat wel een groot nadeel zijn. Ook zijn camera’s niet altijd in staat om te filmen in het donker of onder slechte lichtomstandigheden. Camcorders hebben daar een speciale stand voor, zoals infrarood. Een laatste nadeel is de vaak beperkte kwaliteit van de ingebouwde microfoon. Deze zit ergens weggewerkt en legt het geluid meestal niet kraakhelder vast. In een lawaaierige omgeving, zoals bij concerten, raakt het geluid soms overstemd. Bovendien is de kans groot dat u last hebt van allerlei nevengeluiden van de camera zelf, zoals het vasthouden, in- en uitzoomen en scherpstellen. En als laatste geldt uiteraard dat een fotocamera in veel gevallen ergonomisch minder geschikt of om mee te filmen dan een echte videocamera. Zeker bij langere of moeilijke shots kan dat problemen opleveren.

Het is handig om voor het filmen te bedenken wat je wilt vastleggen. Wat het is hoofdonderwerp? Welke achtergronden zijn interessant? Vanaf welke positie is het licht het best? Wat betreft dat laatste, net zoals bij fotografie is filmen met de zon in de rug een bekende tip. Kies van tevoren een onderwerp en wissel niet zo vaak tijdens het filmen. Beweeg de camera altijd rustig en gecontroleerd.

Stabiliteit

Het is erg lastig om een camera helemaal stil te houden. Een kleine camcorder of fotocamera is hier eerder een nadeel dan een voordeel. Een flinke camera ligt over het algemeen stabieler in de hand. Het is dan ook aan te raden om een camera met twee handen vast te houden en niet met uitgestrekte arm te filmen. De lichte trillingen van handen en armen zijn terug te zien in het resultaat en dat levert een onrustig beeld op. Gelukkig hebben de meeste nieuwe videocamera’s beeldstabilisatie. Een bewegend element in de camcorder of het objectief compenseert dan lichte trillingen, waardoor het beeld rustig blijft. Dit maakt het ook mogelijk om sterker in te zoomen, zonder dat de kijker meteen ‘zeeziek’ wordt. Maar desondanks is het aan te raden om de maximale zoomstand te vermijden. Zelfs met beeldstabilisatie is het beeld dan lastig stabiel te krijgen.

Een lens met beeldstabilisatie is een pluspunt tijdens het videofilmen omdat het beweging tegen gaat. Een minpunt is dat de stabilisatie (evenals het scherpstellen) soms wel te horen is in de opname.

Er bestaan ook dure stabiliteitsoplossingen die in de professionele filmwereld worden gebruikt, maar dat vergt een zeer grote investering.

 

Niet zoomen

Tijdens het filmen kun je het best zo min mogelijk in- en uitzoomen. Ook dat komt onrustig over. Je kunt beter even de opname stilzetten en dan in- of uitzoomen en het filmen vervolgen. Een uitzondering is wanneer het zoomen heel langzaam gaat. Dat kan juist erg mooi zijn.

Los van bestandsformaten, zijn er ook verschillende resoluties die gebruikt kunnen worden. De VGA-resolutie is het meest gebruikelijk en bestaat uit 640×480 pixels (4:3).Sommige camera’s bieden ook een breedbeeld variant met 854×480 pixels (WVGA). Beide standen voldoen prima, maar halen niet de hoge kwaliteit van hd. Dat begint namelijk bij 1280×720 pixels, wat ook wel 720p wordt genoemd. Desondanks kan VGA-kwaliteit in sommige gevallen voldoende zijn – dit bespaart opslagcapaciteit en hd-kwaliteit is lang niet altijd noodzakelijk. Vooral wanneer u veel wilt filmen is (W)VGA ideaal. Maar als u thuis een hdtv hebt staan, ligt filmen in hd wel het meest voor de hand. Dat is een stuk scherper en gedetailleerder dan VGA, waardoor de beleving tijdens het kijken veel groter is. U kunt uw camera rechtstreeks op de tv aansluiten via een HDMI-kabel of tulpstekkers (composiet).

HD-kwaliteit

Veel compact- en spiegelreflexcamera’s kunnen ook filmen in hd. Er zijn twee hd-formaten in omloop: 720p en 1080i / 1080p. De eerste is voldoende als u over een zogenaamde HD Ready-tv beschikt. De resolutie hiervan bestaat uit 1280×720 pixels. Dit is al bijna een verdubbeling ten opzichte van VGA en in de meeste gevallen voldoende. Hebt u echter een Full HD-tv, of wilt u simpelweg de best mogelijke kwaliteit, dan kunt u ook voor de 1080i of 1080p-stand kiezen. Deze gebruikt 1920×1080 pixels, waardoor het detail nog een stuk beter is dan 720p. Het verschil is echter minder groot dan de overgang van VGA naar 720p; niet iedereen zal het verschil waarnemen. Vooral op een bijzonder grote tv (met een diameter van een meter of meer) is het verschil echt te zien.

Het verschil in beeldomvang (en dus beeldkwaliteit) is op dit plaatje goed te zien. 1080p hd is circa 5x beter dan VGA. (beeld: Wikipedia)


Op het lcd-scherm is meestal te zien welke beeldkwaliteit (1080p/720p/VGA) en beelden per seconde (24/25/30) er gebruikt worden

Videoformaten

Er zijn verschillende videoformaten. Dit zijn digitale bestanden, waarbij het verschil meestal zit in de gebruikte compressietechniek en de manier waarop gegevens bewaard worden. Door de wildgroei aan verschillende formaten zijn bestanden niet altijd goed uitwisselbaar met andere apparaten. Van oorsprong was MPEG, in feite een variant op jpeg, het meest bekende formaat, maar dit heeft recentelijk aan populariteit ingeboet. Er zijn drie verschillende versies: MPEG1, -2 en -4. Een populair formaat is AVI. Dit is in feite een open standaard voor Windows, dat met behulp van codecs op verschillende manieren opgeslagen en afgespeeld kan worden. Een ander formaat is MOV, ofwel Apple Quicktime. Een recente ontwikkeling is het AVCHD-formaat dat ontwikkeld werd door Sony en Panasonic. Dit is gebaseerd op MPEG4 en Dolby AC-3 en kan worden afgespeeld op blu-ray-spelers.

Beelden per seconde

Wanneer je serieus gaat filmen zijn ook het aantal beelden per seconde – veelal uitgedrukt in fps – van belang. Toen Canon uitkwam met haar eerste filmende reflex, de 5D Mark II, was er kritiek uit de filmwereld. De Canon filmde met 30 fps, terwijl in de filmwereld 24 fps gebruikelijk is. De concurrerende Nikon D90 filmde wel met 24 fps en was daardoor – ondanks het 720p-formaat – in eerste instantie een betere keus dan de 5D Mark II (1080p). Een film met 30 fps laat zich namelijk niet zo makkelijk converteren naar 24 fps – althans niet op professionele niveau. Canon heeft later de firmware aangepast zodat het aantal fps handmatig instelbaar was (24/25/30). Als je puur als consument filmt en hooguit van plan bent een film in de familie- of vriendenkring af te spelen is het aantal beelden per seconde niet iets om je druk over te maken. Heb je echter ambities of film je voor een derde partij, dan is het handig om hier rekening mee te houden.

Eric van Ballegoie heeft een interessant praktijkartikel geschreven op Technyx, in blogvorm. Met een Canon EOS 60D en wat andere camera’s heeft hij een videoclip opgenomen voor de band Run Free. Het geheel is bewerkt met Adobe Premiere CS5. De clip kun je hieronder bekijken. Wil je weten hoe deze precies gemaakt is, lees dan zijn verhaal.

Zoals gezegd, sommige compactcamera’s doen het automatisch en sommige doen het simpelweg niet, maar bij spiegelreflexcamera’s gaat het scherpstellen meestal niet optimaal – net zoals tijdens live view, is de autofocus van de camera tijdens het filmen beperkt. Dat komt doordat de spiegel opgeklapt is en de autofocussensoren (die in contact staan met de spiegel) daardoor niet werken. Net zoals bij live view kun je de camera het beste van tevoren scherpstellen. Een groothoeklens werkt het beste, omdat deze de meeste scherptediepte biedt, waardoor de kans op onscherp beeld veel kleiner is dan met bijvoorbeeld een telelens. Ook zoomen is in principe niet gewenst, omdat de camera dan opnieuw moet scherpstellen. Van tele naar groothoek kan wel, maar andersom zal al snel onscherp beeld opleveren.

Handmatig scherpstellen

Het werkt het beste om tijdens het filmen handmatig scherp te stellen. Dit vergt wel enige oefening en is niet altijd ideaal. Maar je kunt dan zelf veel sneller inspelen op veranderende situaties dan de camera dat kan. Je kunt de lens (of camera) tijdens het filmen het beste in de MF-stand zetten (handmatig). Bij bepaalde lenzen is dit niet nodig, omdat deze altijd handmatig gecorrigeerd kunnen worden. Om het gebruiksgemak tijdens filmen met een spiegelreflexcamera te verbeteren bieden meerdere bedrijven inmiddels ‘rigs’ aan. Middels een combinatie van buisjes, klemmen en steunen is het hiermee mogelijk om de camera op of tegen de shouder te laten steunen en met een zogenaamde ‘follow focus’ ook het scherpstellen makkelijker te maken. Dergelijke rigs zijn naar eigen smaak samen te stellen, maar de kosten lopen al snel op tot ver boven de duizend euro.


Een ‘rig’ zoals deze van Zacuto biedt meer stabiliteit tijdens het filmen en maakt makkelijker scherpstellen mogelijk.
De prijs van dit soort hulpmiddelen is echter stevig.

Spelen met scherptediepte

Het bijzondere aan filmen met een spiegelreflex is het ‘spelen’ met beperkte scherptediepte. In vergelijking met reguliere videocamera’s en compactcamera’s is het verschil tussen scherpte en onscherpte veel groter en dat kan fraaie beelden opleveren (denk dan bijvoorbeeld aan een scherpe uitgestrekte hand en een onscherp gezicht). Lichtsterke lenzen (zoals f2.8 of beter) zijn een pre. De functionaliteit van veel spiegelreflexcamera’s is echter beperkt. De belichting, op basis van de sluitertijd en het diafragma, wordt vaak volledig automatisch geregeld. Je kunt dus niet altijd zelf een diafragmawaarde kiezen, waarmee je de scherptediepte bepaalt. Het is wel mogelijk door de contacten van de lens af te plakken. De camera kan dan niet meer met de lens communiceren en zal automatisch de grootste lensopening gebruiken, met een groot scherptediepte-effect als gevolg.

Een andere methode is het gebruiken van oude handmatige lenzen. Uitgezonderd enkele nieuw aangekondigde handmatige lenzen, gaat het dan om lenzen van minimaal twintig jaar oud die geproduceerd zijn vóór het autofocustijdperk. Het voordeel van deze lenzen is dat ze een diafragmaring hebben. Hiermee kun je op ieder moment het diafragma wijzigen, dus ook tijdens het filmen. De camera past de belichting er automatisch op aan. Dergelijke lenzen vind je voor een paar tientjes op bijvoorbeeld Marktplaats, Speurders of eBay. Je hebt meestal wel een adapter nodig om ze te kunnen gebruiken. Er is een groot aanbod van M42-lenzen (ook bekend als p-draad). Met een bijpassende M42-adapter kun je deze op je camera monteren.

Met een ‘oude’ lens uit het analoge (en non-autofocus) tijdperk, kun je het diafragma wijzigen tijdens het filmen.
(afgebeeld: Pentacon 50mm f1.8)

Wie filmt, ontkomt eigenlijk niet aan de nabewerking. Voor jezelf is de complete opname misschien een aardige herinnering, maar voor anderen zijn er legio passages die saai zijn als ze te lang duren. Bovendien zijn er maar weinig mensen die graag meer dan een uur naar andermans vakantiebeelden kijken. Ook documentaires op de tv zijn zelden langer dan 50 à 60 minuten. Voor vertoning aan anderen moet je de opname dus redigeren door er de minder interessante delen uit te knippen. Bovendien is er vaak een betere volgorde aan te brengen in de opnamen, zodat ze een mooier verhaal vertellen. Een film chronologisch afspelen is niet altijd even logisch. Bewaar de complete opname, en maak er een kopie van om die met de computer te bewerken. Dat is niet moeilijk en je kunt er ook nog fraaie (overgangs)effecten, teksten en muziek aan toevoegen. Daarvoor heb je wel beeldbewerkingssoftware nodig. Windows-gebruikers beschikken standaard over Windows Movie Maker en voor Apple-gebruikers is iMovie perfect. Ook wordt er meestal een basispakket meegeleverd bij een camcorder of fotocamera, maar wie serieus aan de slag wil, kan beter een uitgebreider programma aanschaffen. In het begin zijn alle fraaie effecten van dergelijke software heel interessant om te proberen, maar voor vertoning aan anderen is het de kunst om het simpel te houden. Een overdaad aan verbluffende effecten kan ook averechts werken.

Software

De camerafabrikant levert software mee om uw videobeelden te bewerken. Deze heeft echter beperkte functionaliteit. Goede en betaalbare alternatieven zijn Adobe Premiere Elements, Pinnacle Studio, Corel Video Studio, Windows (Live) Movie Maker en iMovie (Apple). Uiteraard kun je je videofilms ook uploaden naar YouTube. Wanneer de film af is, kun je deze (met behulp van videosoftware) ook op een schijfje zetten. Een beschrijfbare dvd is het standaardmedium, maar films met hd-kwaliteit (om af te spelen op een hdtv) kunnen het beste op een Blu-ray schijfje worden gebrand. Blu-Ray is het meest geschikte medium voor films in hd-kwaliteit, maar je hebt wel een Blu-Ray speler nodig (in uw computer of naast de tv) om de film af te spelen. Je kunt hd-materiaal ook op een dvd opslaan, maar dan is de capaciteit beperkt tot maximaal 20 minuten.

Wanneer je in hd hebt gefilmd, komen je filmbeelden het best tot hun recht op een hdtv. Je kunt de camera aansluiten via een HDMI-kabel.

Fotograferen tijdens het filmen

Bij sommige camera’s is het mogelijk om tijdens het filmen te fotograferen. Hoewel hd-kwaliteit goed is, haalt de beeldkwaliteit het niet bij de fotoresolutie met tig megapixels. De video-opname wordt wel even gestopt tijdens het fotograferen en gaat dan weer verder wanneer de foto gemaakt is. Bedenk wel dat er dan een ‘gat’ en vreemde overgang in het videobeeld zit, dat er via videobewerkingssoftware het beste kan worden uitgeknipt (of worden voorzien van een meer vloeiende overgang). Ook de timing is van belang. Foto’s maken tijdens het ‘ja-woord’ van een huwelijksceremonie is niet verstandig, want dat staat dat moment dus niet compleet op film. Het is in die gevallen altijd beter om de taken te verdelen. Overigens zijn er ook camera’s waarbij je zonder onderbreking kunt fotograferen tijdens het filmen.

Een fotocamera is natuurlijk ontworpen om foto’s mee te maken en niet om te filmen. Ze zijn daardoor niet altijd even handig in het gebruik als een camcorder. Gelukkig zijn er wel diverse accessoires te koop om dit vergemakkelijken.

Videogrip

Een fotocamera wordt anders vastgehouden dan een filmcamera. Met name wanneer je lang uit de hand filmt, kan dat vrij pijnlijk worden. Daarom komen er veel accessoires op de markt, waarmee je eenvoudiger kunt filmen. Bijvoorbeeld deze set van Zacuto (dat filmaccessoires maakt voor het professionele circuit, maar nu ook voor spiegelreflexcamera’s).

Dankzij een speciale grip voelt een fotocamera ineens als een videocamera .(beeld: Zacuto)

Statief

Een handig hulpmiddel tijdens het filmen is een statief. Daarmee is het beeld superstabiel en er is nog alle vrijheid om naar links en rechts (en zelfs naar boven en beneden) te bewegen. Een los verkrijgbare videolamp is erg handig als er binnen – of in de avondschemering – wordt gefilmd.

Externe lamp

Bij gebrek aan licht kun je tijdens het fotograferen altijd gebruikmaken van de (ingebouwde) flitser. Tijdens het filmen is dat echter niet mogelijk (uitgezonderd de nieuwe Canon 320EX). Gelukkig zijn er wel accessoires te koop die je op de flitsschoen van de camera kunt monteren. Deze zijn meestal oorspronkelijk ontworpen voor videocamera’s, maar passen ook op een universele flitsschoen. Ze zijn er zowel op basis van batterijen als met externe voeding.

Wanneer je tijdens het filmen last hebt van weinig licht kunt u een externe lamp gebruiken. Deze past op de flitsschoen.

Microfoon

Zoals eerder gesteld is de interne microfoon niet ideaal om geluid op te nemen. Wilt je het echt goed aanpakken dan kun je het beste een externe microfoon gebruiken. Bepaalde cameramodellen hebben een aansluiting voor een externe microfoon. Maar je kunt ook een losse microfoon kopen en het geluidsspoor later toevoegen aan de opname met behulp van videobewerkingssoftware.

Loep

Een loep is handig om nauwkeuriger te kunnen scherpstellen tijdens het filmen. De loep wordt op het lcd-scherm gemonteerd, waarna hij het scherm vergroot weergeeft. Dankzij de oogschelp heb je geen last meer van de omgeving en kun je je geheel concentreren op wat je door de lens ziet.

Basiskennis: Diafragma

Het diafragma. Eén van de belangrijke fotografietermen, maar veelal onbegrepen of onbenut. Waar staat het diafragma voor, hoe vertalen de waarden zich, hoe gebruik je het en…  wat kun je er eigenlijk mee?

Het f-getal

Het diafragma van een lens bestaat uit een aantal lamellen waarmee de lensopening kan worden verkleind. Hoe groter de lensopening is, des te lichtgevoeliger de lens is en hoe kleiner de scherptediepte is. Dit resulteert bijvoorbeeld in een scherp portret met een onscherpe achtergrond, wat je krijgt bij volle lensopening (zoals f2.8). Wanneer de lensopening kleiner wordt (bijvoorbeeld f8) heeft dit twee effecten: er komt minder licht binnen, wat resulteert in langere sluitertijden, en de scherptediepte wordt groter. Wil je bij een portret zowel de persoon als de achtergrond scherp hebben, dan moet je dus een zeer kleine lensopening gebruiken (zoals f22). Het begint dus wat verwarrend: een groter getal betekent een kleinere lensopening. Laten we eens kijken hoe dat er in de praktijk uitziet:

Diafragma f2.8 (volle lensopening)

Diafragma f5.6 (de lensopening sluit zich)

Diafragma f22 (de lensopening is op het kleinste punt)

Verklaring

Aan de drie bovenstaande beelden kun je dus zien wat er zich allemaal in de lens afspeelt. Bij volle lensopening komt er het meeste licht naar binnen. De camera krijgt dan het meeste licht en is in staat snelle sluitertijden te halen. Dat verklaart ook direct het verschil tussen f5.6, f4 en f2.8 lenzen. Hoe lager de waarde, des te groter de lensopening en dus des te lichtsterker de lens is. Wanneer je de diafragmawaarde in de P- of A-stand vergroot (bijvoorbeeld naar f8) dan wordt de lensopening kleiner. Het gevolg is dat er minder licht op de sensor valt, wat een langere sluitertijd (of een hogere ISO, otfewel lichtgevoeligheid) tot gevolg heeft. Een kleinere lensopening leidt ook tot een grotere scherptediepte. Oftewel, van voor naar achteren is er meer scherp.

Wanneer je een bepaald scherptediepte-effect wilt bereiken, ofwel veel scherpte of veel onscherpte, dan kun je het beste in de P-, M- of A-stand fotograferen. In de andere standen wordt het diafragma automatisch door de camera bepaald en heb je er zelf weinig invloed in. Hooguit kun je bepaalde programmastanden, zoals de landschappen- of portretstand als alternatief gebruiken. Daarbij wordt het diafragma ook automatisch bepaald, maar dan optimaal voor het onderwerp (zoals voorgeprogrammeerd).

De A-stand staat voor aperture, wat diafragma betekent. In deze stand stel je het gewenste diafragma in (een grote of kleine lensopening), waarna de camera de sluitertijd (en eventueel ook de ISO) daarop aanpast. Dit is bijzonder handig als je de scherptediepte zelf wilt bepalen, dus met bijvoorbeeld een onscherpe achtergrond of juist zo scherp mogelijk. De meeste fabrikanten noemen dit de A-stand, maar Canon betitelt dit op haar camera’s als ‘Av’ (Aperture value). Je hoeft de waarde één keer in te stellen waarna de camera deze onthoudt en op al je vervolgfoto’s zal toepassen. Vergeet de waarde dus niet weer terug te zetten, als je klaar bent met je onderwerp.

In de P-stand kun je het diafragma ook wijzigen. Het verschil met de A-stand is dat de ingestelde waarde iedere keer automatisch vervalt, enkele seconden nadat je je vinger van de ontspanknop hebt afgehaald. In de P-stand kun je zowel de sluitertijd als het diafragma wijzigen. De M-stand is geschikt als je de volledige controle wilt hebben over zowel de sluitertijd als het diafragma (bijvoorbeeld bij flitslicht).

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op de lantaarnpaal. De achtergrond is onscherp.

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op het huis in de achtergrond. De lantaarnpaal is onscherp.

Diafragma f22. Zowel de lantaarnpaal (voorgrond) als het huis (achtergrond) zijn scherp.

Het diafragma heeft een directe invloed op de scherptediepte, oftewel het deel wat scherp en onscherp is. Veel scherptediepte betekent dat een foto van voor tot achter nagenoeg helemaal scherp is, zoals dat bijvoorbeeld voor landschappen gebruikelijk is. Weinig scherptediepte betekent dat een deel van een foto scherp is en een ander deel niet, wat bijvoorbeeld voor portretten als mooi ervaren wordt (omdat het model er dan meer uitspringt). Compactcamera produceren vanwege de relatief kleine sensor en lens per definitie een groot scherptediepte-gebied. Oftewel; het is lastig om onscherpte te creëren. Beperkte scherptediepte kan alleen bereikt worden door flink in te zoomen en tegelijkertijd dicht op het onderwerp te zitten. Bij spiegelreflexcamera werkt deze truc ook, maar dankzij de grote sensor en diverse diafragmastanden is het relatief eenvoudig om de scherptediepte volledig in eigen hand te houden.

Op deze foto’s is het verschil tussen een volle en een kleine lensopening duidelijk zichtbaar. In beide gevallen is op het voorste blikje verf scherpgesteld. De eerste foto is gemaakt met f22, waardoor alles scherp is. En de tweede foto is gemaakt met diafragmawaarde f1.8, wat resulteert in een zeer beperkte scherptediepte. 

 

Diafragma en de lens

De minimale waarde van het diafragma, oftewel bij volle opening, is afhankelijk van de lichtsterkte van de lens. Bij een een f3.5-5.6 lens is de laagste waarde f3.5. Bij een lichtsterke lens kan dat ook f1.8 of f2.8 zijn. Het verschil is dat lichtsterke lenzen minder scherptediepte tonen, oftewel een groter verschil tussen scherpte en onscherpte. Met een dergelijke lens kun je dus een kleiner scherptegebied creëren. Een lichtsterke f2.8 lens kan op f3.5 fotograferen, maar een f3.5-5.6 lens kan dat andersom niet (dus niet op f2.8).

Het scherpstelpunt is in combinatie met beperkte scherptediepte cruciaal. Standaard is erg op de boom scherpgesteld. Ga met je muis op de foto staan en er wordt scherpgesteld op de achtergrond.

Het verkleinen van de lensopening (oftewel het vergroten van de diafragmawaarde) heeft meerdere gevolgen. Allereerst wordt de scherptediepte, dus het deel van de foto dat scherp is, groter. Een bijkomend voordeel is dat lensfouten minder zichtbaar zijn. De meeste lenzen zijn bij volle opening (zoals f3.5) niet topscherp. Iets afstoppen, oftewel een grotere diafragmawaarde kiezen, compenseert dat. Hetzelfde geldt voor vignettering, oftewel onscherpte in de hoeken. Het sweetpoint van de meeste lenzen ligt tussen f8 en f11. Op dat punt leveren ze de scherpste resultaten met de minste lensfouten. De lens verder dichtdraaien heeft meestal geen zin, omdat de resultaten niet veel beter kunnen worden en vaak zelfs iets minder goed zullen zijn. Bij studiofotografie wordt dan ook meestal met een diafragmawaarde tussen de f8 tot f11 gefotografeerd, omdat de resultaten van de lens dan optimaal zijn. Een ander effect van een kleine lensopening is ‘stervorming’. Een sterk lichtgevend object, zoals de zon of heldere lampen in de nacht, krijgt een stereffect door interne reflecties op de randen van het diafragma. Door het aantal punten van de ster te tellen kunt u zien over hoeveel lamellen de lens beschikt. Hoewel dit in feite ook een lensfout is, is dit fenomeen behoorlijk geaccepteerd in de fotowereld en wordt het zelfs als mooi ervaren. Een nadeel van het gebruik van een kleine lensopening is dat stof op de sensor ook nadrukkelijker zichtbaar wordt. Immers, de scherptediepte wordt groter waardoor alle objecten, ver weg én dichtbij, scherp worden weergegeven.

Weinig scherptediepte is vooral bij portretten zeer wenselijk, omdat dit tot een onscherpe achtergrond leidt. (model: Zoë Vialet)

Sony NEX FS-100, de profversie van de NEX-VG10

Al in november 2010 liet Sony doorschermeren dat het werkte aan een meer professionele versie van de NEX-VG10 (een camcorder met verwisselbare NEX-lenzen). En nu is het officieel. Zijn naam wordt de Sony NEX FS-100 en hij krijgt dezelfde sensor als de PMW-F3 (35mm) camcorder. De FS-100 krijgt de beschikking over een E-mount 18-200mm f3.5-6.3 superzoom, een Exmor Super 35mm (fullframe) CMOS sensor, Full HD AVCHD/MPEG2 opname (50 fps 1080p), XLR audio en afneembaar 7,6 cm lcd-scherm. De verwachte prijs is circa $4500, wat mogelijk uitkomt op een straatprijs van circa € 3500 (inclusief 18-200mm lens). In Japan is de camcorder al verkrijgbaar.

De conceptversie (november 2010)

Het uiteindelijke resultaat (maart 2011)

Basiskennis: Lichtgevoeligheid (ISO) en ruis

De lichtgevoeligheid van de sensor wordt uitgedrukt in ISO. Veelal een waarde tussen de 100 en 6400. Maar hoe kun je hier het beste mee omgaan? Het is bijna niet meer voor te stellen, maar in de tijd van fotorolletjes moest je voor verschillende lichtomstandigheden andere films gebruiken, meestal variërend van 100 tot 400 ISO. Dat was erg onhandig, want het betekende dat soms halverwege een rolletje moest terugspoelen en een nieuwe rol film gebruiken. Met de komst van de digitale camera kun je direct overschakelen naar een andere lichtgevoeligheid en zo makkelijker inspelen op verschillende situaties. In de automatische stand doet de camera dit geheel automatisch voor je, maar er zijn diverse situaties waarbij je de ISO-waarde beter zelf kunt instellen.

ISO en ruis

Een sensor heeft altijd een optimale stand waarin de hoogst mogelijke beeldkwaliteit gehaald wordt, met minimale beeldruis. In de meeste gevallen is dit de laagste ISO waarde (veelal ISO 100). Om verschillende ISO-standen te simuleren wordt de spanning op de sensor verhoogd, waardoor deze gevoeliger wordt voor licht. Je kunt dan foto’s blijven maken met hoge sluitertijden, zonder dat je een statief nodig hebt. Het gevolg is wel dat er meer beeldruis ontstaat, naarmate de ISO opgeschroefd wordt. In de automatische stand kiest de camera zelf de juiste lichtgevoeligheid, afhankelijk van de hoeveelheid omgevingslicht en de sluitertijd die behaald kan worden. Aangezien langzame sluitertijden (minder dan 1/60e seconde) meestal leiden tot bewogen (en dus onscherpe) foto’s is meer lichtgevoeligheid van de sensor wenselijk wanneer er weinig licht is. Bijvoorbeeld ’s avonds, maar ook in binnensituaties.

Dankzij de almaar beter wordende sensoren kun je tegenwoordig prima uit de hand fotograferen in combinatie met hoge ISO-waarde.  De foto hierboven is gemaakt met een lichtgevoeligheid van 3200 ISO.

Praktijk

Voorbeeld: stel je camera staat ingesteld op 100 ISO en je zit in het theater, met relatief weinig licht. De camera zal dan mogelijk maximaal een sluitertijd van 1/15e seconde halen (of nog langzamer), met als gevolg dat de opname vrijwel zeker bewogen is. Flitsen is (op grote afstand) geen optie, dus de enige mogelijkheid is een hogere lichtgevoeligheid. Als je je camera op 400 ISO zet kun je een sluitertijd van 1/60e halen. Dit is in veel gevallen voldoende, tenzij het onderwerp heel snel beweegt. Een gevoeligheid van 1600 ISO zou zelfs een sluitertijd van 1/250e mogelijk maken, waardoor de opname zeker haarscherp is. Uiteraard zijn sluitertijden gekoppeld aan diafragmawaarden en die zijn weer afhankelijk van de lichtsterkte van je lens. Kan je camera hoge ISO-waarden aan en leveren die nog een goed resultaat op, dan kun je met een standaardlens (b.v. f5.6) al snel bewegingsvrije foto’s maken. Is 400 ISO het maximaal bruikbare, dan is een lichtgevoelige lens (b.v. f2.8) waarschijnlijk noodzakelijk. Met een f2.8 lens kun je op 400 ISO dezelfde sluitertijden halen als met een f5.6 lens op 1600 ISO.

Op ISO 100 produceren compactcamera’s prima beeldkwaliteit. Op hogere ISO’s zoals ISO 1600 verliest de opname kleur en worden details korrelig en ruizig (zie hierboven).

De resultaten per camera verschillen nogal. Sommige compactcamera’s maken op 800 ISO nog bruikbare foto’s, terwijl met andere modellen beter alle ISO-standen boven de 200 vermeden kunnen worden. Dit heeft te maken met de ruisalgoritmes van de camera en de sensoromvang. Hoe groter de sensor, des te groter de pixels ook zijn en hoe meer licht ze opvangen. De lichtgevoeligheid kan dan verder worden opgevoerd. Daarom zie je vaak dat compactcamera’s vaak niet verder gaan dan 1600 ISO, terwijl 6400 ISO bij digitale spiegelreflexen al zeer gebruikelijk is. Dat verklaart tegelijkertijd waarom een spiegelreflex over het algemeen minder ruis produceert, waardoor hogere ISO’s gebruikt kunnen worden. Grofweg kunnen we stellen dat 400 ISO ongeveer overeenkomt met 1600 ISO op een digitale spiegelreflex. Het is dus zaak om uit te zoeken tot welke lichtgevoeligheid je camera bruikbare resultaten oplevert. Een lage ISO-waarde leidt tot weinig ruis, maar mogelijk een bewogen opname door trage sluitertijden. Een hoge ISO-waarde biedt scherpere resultaten, maar ook meer beeldruis.

ISO 1600 op een spiegelreflex (Nikon D5000, boven) en een willekeurige compactcamera.

De meeste digitale spiegelreflexen (en alle compactcamera’s) bieden tegenwoordig een Auto-ISO stand. Hoewel het beter is om alle instellingen in eigen hand te houden, worden de mogelijkheden voor gevorderd gebruik vaak onderschat. Auto-ISO is niet alleen handig voor beginners. In de automatische stand van je camera zal de lichtgevoeligheid van de sensor (ISO) automatisch door de camera worden bepaald, net zoals de sluitertijd en het diafragma. Is er genoeg licht, dan zal de camera een lage lichtgevoeligheid kiezen, zoals ISO 100 of 200 en bij weinig licht zal dat opgeschroefd worden naar ISO 400 en hoger. Vooral wanneer de flits uitstaat, zal de lichtgevoeligheid flink opgevoerd worden om het beperkte licht te compenseren.

Met een hoge lichtgevoeligheid kun je zonder probleem uit de hand blijven fotograferen. Maar vanaf ISO 800 en hoger krijg je wel te maken met een vervelen neveneffect: ruis. Je kunt de ruis beperken door continu mee te denken met je camera. Wil je in het donker fotograferen, gebruik dan eventueel een statief zodat je lagere ISO-waarden kunt gebruiken. Is het fotografen met hoge ISO’s noodzakelijk, let er dan op dat de camera dit op een acceptabel niveau doet. De ene camera produceert al storende ruis op ISO 800, terwijl de andere probleemloos op ISO 3200 gebruikt kan worden. Controleer welke stand voor jou nog acceptabel is en zorg ervoor dat de lichtgevoeligheid hier niet bovenuit komt. Bij sommige camera’s kun je de maximale waarde ook instellen (wat een hoop ellende kan voorkomen).

Bij sommige camera’s kun je de maximale ISO-waarde instellen

Handmatige ISO

Gevorderde fotografen houden het liefst alles in de hand, dus ook de ISO-waarde. Maar toch kan Auto-ISO erg handig zijn in bepaalde situaties. Bijvoorbeeld wanneer je fotografeert in een omgeving met grote contrastverschillen. Denk bijvoorbeeld aan een voetbalwedstrijd, waarbij een deel van het veld in de felle zon staat en een ander deel in de schaduw. Beide delen vragen eigenlijk om afzonderlijke instellingen, maar dat is lastig tenzij je met twee camera’s werkt. Auto‑ISO kan hierop inspelen, zodat de waarden voor de sluitertijd en het diafragma nagenoeg gelijk kunnen blijven. Soms kun je zelfs instellen wanneer de camera Auto-ISO mag gebruiken, bijvoorbeeld alleen wanneer de sluitertijden onder de 1/100e seconde dreigen te geraken (en soms kun je ook een maximale ISO-waarde). Auto-ISO is dus niet alleen iets voor consumentencamera’s, ook professionele modellen beschikken hier tegenwoordig over. De stand is erg handig, maar let er op dat de lichtgevoeligheid niet hoger wordt dan noodzakelijk.

Hierboven zie het effect van het verhogen van de ISO-waarde, getest op een Canon EOS 60D met de volgende ISO-waarden: 1600, 3200, 6400, 12.800 (let op: de foto is een uitsnede van een grotere foto op 100%)

Heb je geen statief bij je en wil je een bepaalde foto in zeer slechte lichtomstandigheden maken? Je enige redding is dan de ISO opschroeven naar een hoger niveau. Misschien wel hoger dan je lief is. Het is dan kiezen tussen ruis of een onscherpe foto. Met een lage ISO-waarde zal je camera een te lange sluitertijd kiezen. Het gevolg daarvan is dat er bewegingsonscherpte ontstaat. Bijvoorbeeld door lichte trillingen van je hand (die versterkt worden naarmate je meer tele gebruikt) of door een bewegend onderwerp. Bewogen foto’s zijn slecht via beeldbewerking te corrigeren. Onscherp blijft vaak onscherp. Ruis daarentegen is tegenwoordig met behulp van gespecialiseerde ruisreductiesoftware redelijk makkelijk te verminderen – in ieder geval tot het punt waarop het niet meer storend is. Hieronder zie je een (sterk uitvergroot) voorbeeld. Voor de eerste twee foto’s is ISO 12.800 respectievelijk 6400 gebruikt. De ruis is nadrukkelijk aanwezig, maar de foto is scherp. Bij de laatste twee foto’s (ISO 3200 en 1600) is de ruis veel minder storend, maar is de foto wel bewogen – dus onscherp…

Oeps, ISO vergeten…

Een veelgemaakte fout met digitale spiegelreflexcamera’s is een verkeerde instelling van de ISO (oftewel de lichtgevoeligheid). Wanneer je in omstandigheden met weinig licht fotografeert, is het logisch dat je de lichtgevoeligheid van de sensor aanpast door de ISO-stand op te voeren naar bijvoorbeeld 1600 ISO. Een veelgemaakte fout is echter dat de camera vervolgens op die stand blijft staan, ook wanneer ondertussen buiten gefotografeerd wordt met prachtig weer. Niets is erger dan bij volle zon met ISO 1600 fotograferen, want het gevolg is dat je foto’s er  grof en korrelig uitzien, terwijl dat volstrekt onnodig is. De meer gevorderde camera’s tonen vaak de ISO-stand in de zoeker of lcd-scherm, maar helaas lang niet allemaal. Probeer met enige regelmaat je instellingen en de opnamegegevens van je gemaakte foto’s te controleren. Ook wanneer je inzoomt op je foto’s kun je ontdekken dat je een te hoge ISO-stand gebruikt. Wanneer je camera opeens vrij hoge sluitertijden gebruikt (van bijvoorbeeld 1/2000e seconde), kan dit een teken zijn dat de lichtgevoeligheid van de sensor te hoog staat ingesteld. Het is helemaal veilig om standaard de ‘auto-ISO’-stand te gebruiken en alleen in bepaalde situaties de lichtgevoeligheid te verhogen.

Basiskennis: Sluitertijd

Als er iets is dat je moet weten over de werking van je camera, dan is het wel het begrip ‘sluitertijd’. Hiermee maak je het verschil tussen een scherpe en onscherpe foto, door bijvoorbeeld actiemomenten te ‘bevriezen’ of juist beweging te forceren met lange sluitertijden. Sinds camera’s standaard beschikken over een ingebouwde lichtmeter, al sinds eind jaren tachtig, ontstond de zogenaamde automatische stand. In deze stand zorgt de camera voor een optimale belichting door zelf de sluitertijd en het diagrafma te bepalen. Later werd daar nog autofocus aantoegevoegd, waardoor ook de afstand tot het onderwerp kon worden gemeten. Handig, maar ook dodelijk voor de creativiteit van amateurfotografen. Want de mooiste resultaten bereikt je door de sluitertijd handmatig te beïnvloeden. Sommige situaties vereisen dit zelfs.

Sluitertijd…Wat is dat?

Sluitertijden variëren in de fotografie doorgaans van enkele minuten tot éénachtduizendste seconde. Veel camera’s hebben de mogelijkheid om zelf een sluitertijd (en diafragma) in te stellen. Bijvoorbeeld via de M-, S- of A-stand. In de P- en A-standen kunt je de sluitertijd beïnvloeden door een kleinere of grotere diafragmawaarde te bepalen. Beschikt je camera niet over deze standen, dan kan invloed op de sluitertijd worden uitgeoefend door de ISO te verlagen of verhogen, eventueel in combinatie met belichtingscompensatie (de knop met het plusje en minnetje). Simpel gezegd bevriest een snelle sluitertijd alle actie, waardoor het onderwerp in de foto scherp wordt vastgelegd. Dit is essentieel wanneer je te maken hebt met een snel bewegend onderwerp, zoals bijvoorbeeld een rijdende auto, spelende kinderen of dansende mensen.

Onscherpe foto’s voorkomen

Een te lange (oftewel te langzame) sluitertijd zorgt voor een onscherpte foto. Dat komt door bewegingsonscherpte; de beweging van het onderwerp is in de foto terug te zien. Dit ligt dus niet aan de fotograaf en ook niet aan de camera. Een camera weet immers niet dat er snel bewegend onderwerp wordt gefotografeerd waarvoor een snelle sluitertijd nodig is. Je moet dit dus zelf instellen, hetzij via een handmatige stand of via de zogenaamde sportstand (waardoor de camera zelf een snelle sluitertijd kiest). In situaties met weinig licht moet je sowieso erg oppassen met te lange sluitertijden. Wanneer je geen flitser gebruikt, zal de camera het weinige licht willen compenseren met een lange sluitertijd. Zowel beweging van het onderwerp als minimale bewegingen van uw hand zullen tot een bewogen – dus onscherpe – foto leiden.

Een handige richtlijn is dat de sluitertijd nooit lager mag zijn dan de brandpuntsafstand van de lens. Fotografeer je met 100 mm, dan moet de sluitertijd dus minimaal 1/100e seconde bedragen om een scherpe foto te produceren. Is de sluitertijd lager, dan neemt de kans op onscherpte razendsnel toe. Deze richtlijn is het minimum. Fotografeer je een bewegend onderwerp, zoals een artiest tijdens een concert, dan moet de sluitertijd nog een stuk hoger liggen. Afhankelijk van de mate van beweging kan dit op lopen van een minimum van 1/120e tot 1/200e seconde. Denk er om dat beeldstabilisatie in de camera of de lens, wat tegenwoordig standaard is, niet betekent dat je de sluitertijd ongestraft kunt verlagen. Beeldcompensatie compenseert alleen de lichte trillingen van de hand en niet de beweging van het onderwerp. Het is dus nuttig voor statische onderwerpen, maar niet voor actie.


Fotograferen tijdens een concert vereist snelle sluitertijden om bewegingsonscherpte te voorkomen (op de foto: Marlies Schuitemaker van de band Aniday)

Snelle sluitertijden zijn dus noodzakelijk wanneer je een bepaalde actie wilt bevriezen. Los van de sluitertijdrichtlijn die aan de brandpuntsafstand van de lens gekoppeld is, speelt ook de mate van actie een grote rol. Zoals eerder gezegd, bij een concert zijn sluitertijd van 1/160e tot 1/200e seconde zeer gangbaar. Op het voetbalveld is er nog veel meer actie. Een sluitertijd van 1/500e seconde is daar het absolute minium. Nog liever wordt er gewerkt met sluitertijden van 1/640e tot 1/1000e seconde, om er zeker van te zijn dat alle actie bevroren wordt. Bewegingsonscherpte is in zo’n geval zeer onwenselijk. Bij extreme sporten, zoals een motorrace, zijn nog hogere sluitertijden aan te raden. Omdat dit sterk afhangt van de lens, de brandpuntsafstand, de lichtomstandigheden, de afstand en de snelheid van het onderwerp is het aan te raden om voordat je serieus gaat fotograferen eerst een aantal testfoto’s te maken. Deze bekijk je vervolgens (ingezoomd) op het lcd-scherm op zoek naar bewegingsonderscherpte. Overigens zijn er ook uitgangspunten waarbij bewegingsonscherpte èn actiefotografie wel samengaat. Bij het ‘pannen’, waarbij je de camera meebeweegt met het onderwerp, wordt expres een lagere sluitertijd gekozen om bewegingsonscherpte op de achtergrond te forceren terwijl het onderwerp zelf scherp is. Bijvoorbeeld een raceauto in een bocht. Het gevolg: de auto is scherp, de (bewegende) achtergrond onscherp.

 Bij auto- of motorsport is een snelle sluitertijd vereist om de actie te bevriezen. Zoals in dit geval 1/1000e seconde.

 

Voor ‘pannen’, het meebewegen met een bewegend onderwerp, is een lange sluitertijd juist weer het devies.
Zoals in dit geval slechts 1/30e seconde in combinatie met een 400mm lens.

Iedereen kent wel de fraaie foto’s van steden bij nacht. New York, Londen, Parijs – noem ze maar op. Bij nacht voegen alle lampjes een sprookjesachtig effect toe aan foto’s. Het contrast wordt groot omdat een deel van de foto donker (de lucht) en een ander deel licht is (het onderwerp). Voor een goede belichting wordt in de stad eigenlijk al automatisch gezorgd omdat bijvoorbeeld gebouwen van alle kanten belicht worden. Het enige dat je dan nog hoeft te doen is deze avondtaferelen vastleggen met je camera. Zoals gezegd is een statief daarvoor een pré. Weliswaar zijn camera’s tegenwoordig in staat om ook zonder statief (èn natuurlijk zonder flits) nachtopnamen te maken, maar dan wel met een zeer hoge lichtgevoeligheid. Daardoor ontstaat ruis.

Bovendien is een opname met een lange sluitertijd in het donker vaak mooier dan een korte. Niet alleen omdat er gewenste bewegingsonscherpte ontstaat (zoals stromend water), maar ook omdat felle lichten een stervorm krijgen dankzij een kleine lensopening (oftewel grote diafragmawaarde). Een sluitertijd van enkele seconden is minimaal. Mooier wordt het wanneer je 30 seconden of langer belicht. De meeste camera’s kunnen dat.

Lange sluitertijd

Met zo’n lange sluitertijd is een stabiele ondergrond dus echt noodzakelijk. Bijvoorbeeld een stevig statief (dat ook bestand is tegen wind), maar een andere ondergrond, zoals een plat hek, is ook mogelijk. Maak bij lange sluitertijden altijd gebruik van de zelfontspanner (op 2 of 10 seconden). Dat voorkomt namelijk dat het indrukken van de knop per ongeluk beweging veroorzaakt (je zou de eerste niet zijn die dat overkomt). Wanneer je een stevige ondergrond hebt, kunt je lange sluitertijden maken met een lage lichtgevoeligheid (ISO). Dat voorkomt ruis. Kies dan de laagst mogelijke ISO-stand (ISO 50, 100 of 200) en selecteer vervolgens de hoogste diafragmawaarde (bijvoorbeeld F22). In de P- of A-stand zie je dan automatisch de langst mogelijke sluitertijd. In de S- of Tv-stand kunt je ook zelf de sluitertijd kiezen, maar 30 seconden of meer is niet altijd mogelijk omdat dit afhankelijk is van de lichtomstandigheden en de instellingsruimte op de camera (soms is er een afstandsbediening nodig voor langere sluitertijden). Heb je geen statief of andere stabiele ondergrond bij de hand, dan zit er maar één ding op: een hoge ISO-waarde kiezen en uit de hand fotograferen. Dit levert een minder fraai resultaat (met ruis) op, maar is natuurlijk beter dan niets…

 Zonder statief, met een hoge ISO-waarde (1600) en daardoor relatief snelle sluitertijd (1/60e seconde).

Vrijwel dezelfde foto, maar nu met statief, een lage ISO-waarde (50) en een lange sluitertijd van 20 seconden.

Terwijl bij actiefotografie het doel is om de actie te bevriezen, zijn er in veel andere gevallen juist redenen om bewust beweging in een foto te tonen. Het mooiste effect is wanneer een deel van de foto scherp is en een deel onscherp. Een typisch voorbeeld is stromend water. Denk bijvoorbeeld aan een waterval, waarbij het stromende water vanwege onscherpte een mooi spoor achterlaat terwijl de rest van de omgeving wel scherp is. Of een winkelstraat met lopende mensen: de omgeving is scherp, maar alles wat beweegt niet. Om deze effecten te bereiken is een statief wel noodzakelijk. De camera mag namelijk niet bewegen tijdens de opname – ook niet minimaal. Dan wordt namelijk alles onscherp en de truc is juist om een deel scherp en een deel onscherp (bewogen) te hebben. Ook deze methode vereist wel wat instellingen. Het effect is nauwelijks haalbaar in de automatische stand. Om de langst mogelijke sluitertijd te halen moet je uw camera op de laagste ISO-stand zetten. Kies vervolgens de hoogst mogelijke diafragmawaarde (bijvoorbeeld f8 voor compactcamera’s en f22 voor spiegelreflexen). Zelfs dan kan het nog zijn dat er te veel licht is, waardoor je een te snelle sluitertijd haalt en er amper beweging te zien is. In dat geval zijn donkere filters een uitkomst, zoals neutral density- of polarisatie-filters.

Twee foto’s van een waterval. De linker met een normale (automatische) sluitertijd en de rechter met een lange sluitertijd (0,6 seconde)


Bewegingsonderscherpte kan ook mooi zijn, zoals in dit geval een terras gefotografeerd met een lange sluitertijd.

Conclusie

Spelen met sluitertijden is het geheim van een succesvolle foto. Snelle actie bevriezen vereist een snelle sluitertijd, een omgeving met weinig licht kan fraai worden vastgelegd met een langzame sluitertijd en bewuste bewegingsonscherpte overdag of ’s nachts maakt een foto dynamisch. Als je je fotografie naar een hoger niveau wilt tillen is het tijd om eens flink te experimenteren met sluitertijden.

Canon biedt ‘beveiligd’ programmawieltje voor 5D II en 7D

De nieuwe Canon 60D beschikt over een beveiligd draaiwieltje voor de programmastanden, maar de meeste Canon camera’s moeten deze ontberen. Een beveiliging als die op de 60D is handig omdat dit voorkomt dat het programmawieltje per ongelukt naar een andere stand verschuift, wat nog wel eens voor wil komen in een fototas of tijdens een fotosessie. Een beveiligd wieltje bevat in het midden een knop die ingedrukt moet worden voordat het programma gewijzigd kan worden. Overigens is dit niet altijd handig, want door het indrukken van deze knop kost het wisselen van de programmastand meer tijd.

De professionele 1D-serie heeft – om de bovengenoemde reden – geen wieltje maar drukknoppen om de stand te wijzigen. Canon heeft besloten deze optie ook aan te gaan bieden aan haar semi-professionele gebruikers, waaronder de bezitters van de Canon EOS 5D Mark II en de 7D.

Kosten

De upgrade is echter niet gratis. In de VS vraagt Canon een vergoeding van $100 (inclusief montage). Dat is een forse investering, waarvan we ons sterk afvragen of klanten hier gebruik van zullen maken. De prijs in Europa is nog niet bekend gemaakt en de service is hier ook nog niet officieel aangeboden.

Overigens blijft Canon de huidige 5D en 7D gewoon verschepen met het oude draaiwieltje. Het ligt echter wel voor de hand dat we de beveiliging standaard op toekomstige Canon spiegelreflexen zullen aantreffen.

600D en 1100D?

Je zou je kunnen afvragen waarom Canon deze beveiligde knop alleen voor de 60D, 7D en 5D Mark II aanbiedt en niet voor consumentenmodellen als de 600D en 1100D. Immers, die groep consumenten (veelal niet super ervaren fotografen) kunnen ook last hebben van een per abuis verschoven programmawiel. De reden dat Canon dit niet aanbiedt heeft te maken met de positie van het programmawiel. Bij de 60D, 7D en 5D zit de knop links op de body (vanaf de achterzijde gezien), oftewel aan de zijkant. Bij andere modellen als de 600D en 1100D zit de knop aan de rechterzijde, maar niet geheel aan het uiteinde. Volgens Canon is het risico dat de knop verschuift daardoor een stuk kleiner. De beveiligde knop komt dan ook niet voor deze modellen beschikbaar.

Hoe werkt een D-SLR?

Je staat klaar met je camera in de hand en het onderwerp in het vizier. Je drukt de ontspanknop half in zodat deze scherp gaat stellen en klikt daarna door. Klik, klak en de foto wordt weggeschreven naar het geheugenkaartje, waarna je hem kunt bekijken op het lcd-scherm. Maar wat gebeurt er eigenlijk allemaal IN de camera tijdens het fotograferen, van klik tot digitale foto?

Techniek

Voordat we stapsgewijs door de verschillende processen – van klik tot foto – lopen, nemen we eerst eens een kijkje in de camera. Hierboven zie je de voornaamste componenten die stuk voor stuk onmisbaar zijn voor een digitale spiegelreflexcamera. Je ziet bijvoorbeeld de spiegel (waarvan alleen de linkerzijde te zien is) met daaronder een kleiner spiegeltje (de sub-mirror). Doordat de hoofdspiegel gedeeltelijk licht doorlaat weerkaatst het licht dat binnenkomt via de lens op een kleiner spiegeltje richting de AF array (met de autofocuspunten) en autofocus sensor die onderin de camera zitten. Verder zie je de sensor, met daarboven een plaatje van het vibrerende mechanisme dat stofdeeltjes van de sensor schudt (die op een plakrandje worden opgevangen). Daar weer boven is de sluiterconstructie te zien, die bestaat uit een aantal lamellen die open en dicht gaan in de maat van de sluitertijd. Bij veelvuldig gebruik (van vele tienduizenden foto’s) is dit het eerste onderdeel dat defect gaat (maar wel te repareren is door een nieuwe sluiter te laten plaatsen). Helemaal onderaan zie je een printplaatje met een aantal chips. Dit is het kloppende hart van de camera, met onder andere de beeldprocessor (die nullen en enen omzet naar een plaatje in ofwel jpeg- or raw-formaat).

(beeld: Canon)

1e fase: klaar voor de start!

Voordat de camera in actie komt, begint het voorbereidende werk. Je richt de camera, zoomt in op het gewenste punt en bepaalt de compositie. Via de zoeker kijk je rechtstreeks door de lens. Dit kan doordat het beeld vanaf de spiegel naar het prismahuis reflecteert en daar uiteindelijk via twee andere spiegels bij het oog uitkomt. Daarna druk je ontspanknop half in. Zodra dit doet begint de camera met scherpstellen wordt de sluitertijd en het diafragma gekozen (op basis van lichtmeting). De camera kies het juist scherpstelpunt (of het punt dat door de fotograaf is ingesteld) en stelt acuut scherp.

Scherpstellen

Een spiegelreflex doet dat in vergelijking met compactcamera’s razendsnel. Dat is te danken aan de spiegelconstructie. De hoofdspiegel laat namelijk voor een deel licht door, wat op een klein spiegeltje er onder valt (de sub-mirror). Dit spiegeltje reflecteert het beeld naar autofocussensoren onderin de camera. Dankzij deze speciale sensoren kan een spiegelreflex razendsnel scherpstellen. Bij compactcamera’s (en in live-view modus) gebeurt het scherpstellen op basis van het beeld dat de sensor opvangt, met behulp van contrastdetectie (waarbij de scherpstelling bepaald wordt op basis van contrasten). Dat werkt een stuk langzamer.

2e fase: ontspanknop indrukken

Zodra je de ontspanknop helemaal indrukt komt de camera pas echt in actie. Het beeld dat op dat moment door de zoeker te zien is, wordt opgevangen door de sensor. Om dat mogelijk te maken klapt de spiegel omhoog, die tussen de lens en de sensor inzit. Vervolgens schuiven de lamellen van de sluiter voor de sensor weg en ‘ kijkt’  de laatstgenoemde dan recht door de lens.

Via de lamellen, die zich openen en sluiten, wordt de juiste belichting (sluitertijd) geregeld. (beeld: Canon)

 

Lamellen in de lens

Ook de lamellen van de lens treden op dat moment in werking. Terwijl de lamellen voor de sensor ervoor zorgen dat de sluitertijd exact gehaald wordt, bepalen die in de lens de lensopening en dus de scherptediepte. Stel dat je een F2.8 lens gebruikt en op F2.8 fotografeert dan doen de lamellen niets en fotografeer je met de volle lensopening (het meest lichtsterk). Gebruik je F4, F5.6 of meer, dan schuiven de lamellen in elkaar verkleinen ze de lensopening. Ze vormen een gaatje dat steeds kleiner wordt naarmate de diafragmawaarde toeneemt (zie voorbeeldfoto’s). Een kleinere lensopening leidt tot een grotere scherptediepte. Het scherptegebied wordt dan dus groter, wat handig is als je alles scherp wilt hebben (zoals bij een productfoto of landschap). Wil je juist beperkte scherptediepte (zoals bij een portret met sfeervol licht), dan is een grote lensopening gewenst.

Deze foto’s tonen de werking van de lamellen in een lens.

Links de lens op volle opening (F2.8), midden op F5.6 en rechts op F22 (minimale lensopening).

De sensor wordt blootgesteld aan het licht (oftewel belicht) met een sluitertijd die van te voren (door de camera of fotograaf) is bepaald. Zodra de spiegel opgeklapt is, regelen de lamellen van de sluiter dat de exacte sluitertijd gehaald wordt – meestal variërend van enkele seconden tot 1/8000e seconde. In een fractie van een seconde klapt de spiegel dus open en weer dicht, gaan de lamellen open en wordt de sensor belicht. Op het moment dat de spiegel opgeklapt is, is er door de zoeker niets meer te zien. Maar bij normale sluitertijden heb je daar amper last van.

Meerdere beelden per seconde

Omdat een camera dit zo razendsnel kan, is het mogelijk om meerdere foto’s per seconde vast te leggen. Het exacte aantal varieert per cameramodel, van 2 tot en met 10. Hoe meer beelden per seconde, des te meer er van de sluiter en de spiegel gevraagd wordt. Camera’s die vijf beelden per seconde of meer kunnen vastleggen, gebruiken doorgaans duurdere componenten met een langere levensduur (b.v. 150.000 opnamen of meer).

3e fase: van nullen en enen naar beeld

Op het moment dat de sensor licht heeft opgevangen, start het meest technische proces. Een sensor is opgebouwd uit miljoenen lichtgevoelige diodes, die samen de pixels vormen. Deze diodes vangen licht op. De meeste camera’s werken volgens de zogenaamde Bayer-methode (RGB). Er zijn 25 procent diodes die rood opvangen, 25 procent blauw en 50 procent groen. Op basis van interpolatie worden de tussenliggende pixels berekend (een factor drie meer) en zo ontstaat een compleet plaatje, opgebouwd uit miljoenen kleuren. In een artikel artikel zullen we uitgebreider uitleggen hoe een sensor precies werkt.

De opbouw van een RGB-foto (beeld: Wikipedia)

Buffer

De nullen en enen worden eerst tijdelijk opgeslagen in het buffergeheugen. Dit zijn supersnelle (en ook zeer kostbare) flashchips van circa 32 tot en met 512 MB. Dit buffergeheugen garandeert dat je een bepaald aantal foto’s achter elkaar kunt maken zoals door de fabrikant aangegeven (zoals bijvoorbeeld 22 JPEG’s of 8 RAW’s). Pas als de buffer vol zit, zal de camera op een lager tempo doorgaan met foto’s schieten. Je kunt pas weer op volle snelheid fotograferen wanneer een deel van de foto’s is weggeschreven op een geheugenkaart. Maar daar zit nog één stadium voor.

De foto die in de buffer terecht komt is nog helemaal ruw. Dat wil zeggen dat er nog geen enkele bewerking of compressie aan te pas is gekomen. Sterker nog, er is nog niet eens sprake van een bepaald bestandsformaat. De foto is compleet ongecomprimeerd en neemt daardoor relatief veel ruimte is beslag. Een gemiddelde 10 megapixel-foto mag dan circa 5 MB groot zijn (jpeg), ongecomprimeerd neemt hij circa 17 MB ruimte in beslag. Ter vergelijking: voor een raw-bestand wordt lossless compressie gebruikt (waarbij dus sprake is van compressie, maar zonder kwaliteitsverlies – zoals een ZIP-bestand), waardoor het totaal op ongeveer 10 MB zal uitkomen. Reken voor raw grofweg een MB per megapixel (wat mede afhankelijk is van de concrete beeldinformatie), Een 21 megapixel-foto wordt gemiddeld 25 MB (raw) of 7 MB (jpeg).

Het ruwe bestand moet door de camera gecomprimeerd worden, wat een taak is van de beeldprocessor. Maar nog voor de compressie (op basis van ofwel raw of jpeg) wordt toegepast worden er bepaalde bewerkingen uitgevoerd. Denk dan aan het verkleinen van de foto (indien een lagere resolutie is gekozen), evenals het toepassen van verscherping en kleurverzadiging. Ook moderne instellingen als een hoger dynamisch bereik (zoals Nikon’s D-Lightning of Canon’s ‘Lichte tonen prioriteit’) en een bepaalde kleurstelling (zoals zwart-wit of sepia) worden in dit stadium verwerkt. Daarna is de foto klaar om te worden weggeschreven.

4e fase: wegschrijven

Na alle bewerkingen door de beeldprocessor is de foto klaar om te worden weggeschreven op de geheugenkaart. De snelheid van het wegschrijven is grotendeel afhankelijk van de geheugenkaart. Hoe sneller het kaartje, des te sneller de buffer ook weer leeg is (waardoor je dus weer eerder verder kunt fotograferen). Maar of het ook loont om het allersnelste kaartje te kopen, is voor een sterk deel afhankelijk van je camera. Geen enkele camera haalt de maximale schrijfsnelheid (zoals 30 MB/s voor SD 150x en 50 MB/s voor CF 333x). Een snel kaartje leidt wel tot snellere schrijfsnelheden dan een langzame, maar of het verschil in prijs daar ook tegenop weegt is sterk afhankelijk van het model (en of deze bijvoorbeeld ook ondersteuning biedt voor UDMA CompactFlash).

5e fase: terugkijken

De laatste fase is het meest concreet. De foto is dan weggeschreven en je ziet deze verschijnen op het lcd-scherm. Je kunt controleren of de compositie naar wens is en inzoomen om te kijken of de scherpte en scherptediepte klopt. Let ook op het histogram. Niet geheel tevreden? Dan kun je de foto natuurlijk gewoon verwijderen en een nieuwe maken. Het hele proces begint dan weer van voren af aan.

(beeld: Canon)

Fotograferen vanuit de lucht

Fotograferen vanuit de lucht is op zichzelf is al zo oud als de weg naar Rome, maar tot voor kort moest je behoorlijk wat moeite voor doen. Denk bijvoorbeeld aan het regelen van een helicopter- of vliegtuigvlucht. Of beter nog: een ballonvaart. Je hebt dan weliswaar geen controle over waar de route heenvoert, maar kunt wel veel makkelijker fotograferen (en je komt ook relatief laag bij de grond).

De nieuwste rage bestaat uit een op afstand bestuurbare helikopter of zweefvliegtuigje met camerabevestiging. Bijvoorbeeld de Draganflyer X6 helikopter die 20 minuten lang kan rondvliegen met een halve kilo aan apparatuur (zoals een foto- of videocamera). Of de Swinglet Cam met geïntegreerde camera, die via de interne gps een vooraf ingestelde route kan vliegen en helemaal zelfstandig landt en opstijgt. Voor beide producten is geen ervaring nodig met op afstand bestuurbare apparatuur, omdat ze autonoom opereren. Echt goedkoop zijn ze overigens niet. Reken afhankelijk van de configuratie op enkele duizenden euro’s. Meer iets om gezamenlijk met een fotoclub aan te schaffen. Maar gelukkig zijn er ook versimpelde varianten vanaf circa € 1000 te koop via internetsites als rctoys.com.

StarWars camera of Nikon’s eerste systeemcamera?

In een showroom van het Nikon Nagoya servicecenter in Japan zijn een aantal conceptmodellen van toekomstige Nikon camera’s te bewonderen. Naast een high-end model met pianozwarte lak en een mid-range model met een afwijkend strak ontwerp viel een zwart-witte conceptcamera het meest op. Niet alleen omdat het lijkt alsof hij afkomstig lijkt te zijn van een StarWars-filmset, maar ook omdat uit de afmetingen kan worden afgeleid dat het om een systeemcamera zonder spiegel gaat. Oftewel: is dit de basis van Nikon’s eerste systeemcamera met APS-C sensor?