Licht en Belichting

Er is altijd licht nodig om een foto te maken. Hoeveel, dat hangt van diverse factoren af. Via de belichting bepaal je hoe de camera het aanwezige licht moet gebruiken. Licht en belichting zijn dus twee verschillende begrippen, maar hebben enorm veel met elkaar te maken. Ze bepalen voor een groot deel of je foto slaagt.

Steeds weer anders

Gedurende de dag zijn de lichtomstandigheden nooit lang hetzelfde. ’s Morgens gaat de zon op, midden op de dag staat deze natuurlijke lichtbron hoog aan de hemel en ’s avonds duik de zon weer onder. Gedurende deze tocht langs de hemel verandert het licht continue en daarmee ook de schaduwen die het veroorzaakt. Zijn we binnen, dan is de invloed van het natuurlijke licht ineens veel kleiner. Om binnenshuis het tekort aan licht aan te vullen, maken we gebruik van kunstlicht: allerlei soorten lampen. Behalve dat de lichtintensiteit ervan varieert, is ook de kleur van het licht verschillend.


Het licht om ons heen is steeds weer anders

Waarnemen

Waar we ook zijn, buiten varieert het licht van moment tot moment en van plek tot plek. Toch merken wij daar over het algemeen weinig van. Dat komt doordat onze ogen en de grijze massa onder onze schedeldaken zich continu aan de omstandigheden aanpast. Zonder erbij na te denken verwachten wij van onze camera’s hetzelfde. Dat zodra we het toestel ergens op richten, het toestel zelf wel weet wat er gefotografeerd moet worden en op welke manier. In de praktijk werkt dat niet zo. Camera’s worden de laatste jaren wel steeds slimmer en ze zijn steeds beter in staat om goed belichte en kleurechte foto’s te maken, maar fototoestellen winnen het vandaag de dag nog niet van het menselijk waarnemingsvermogen. Dit betekent dat wij de camera onder diverse (licht)omstandigheden een handje moeten helpen. Om te voorkomen dat foto’s onnodig mislukken. Dat is echt niet ingewikkeld en het kost je geen bergen tijd. Er zijn eigenlijk maar een paar zaken waar je aandacht aan moet besteden. Daarmee schiet de kwaliteit van je foto’s als een raket omhoog.

De juiste hoeveelheid

Licht is iets dat er is of er niet is en kan vele vormen aannemen. De zon, een gloeilamp of een kaarsvlammetje geven allemaal licht, maar op elkaar lijken? Dat doen ze niet. Belichting is de manier waarop je van licht gebruik maak om een foto te maken. Het basisprincipe is dat je maar kort hoeft te belichten als er heel veel licht is. Als er weinig licht is moet je juist langer belichten. Een foto maken houdt dus eigenlijk in dat je een afgepaste hoeveelheid licht in de camera laat vallen. Komt er te weinig licht in de camera? Dan krijg je een donkere foto. Valt er te veel licht in het toestel, dan verandert je foto deels in een lelijke witte vlek: overbelicht.

Er zit slechts zestien seconden tussen beide opnamen. Toch zien ze er totaal verschillend uit. Het verschil? Zonder en met zon
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

De drie-eenheid

De belichting stel je in met slechts drie bouwstenen: sluitertijd, diafragma en iso-waarde (lichtgevoeligheid). Meer is er niet nodig, dus dat valt alles mee. Ze worden uitgebreid besproken in het onderdeel basiskennis op Technyx. Met deze drie-eenheid kan onder alle lichtomstandigheden de juiste belichting voor een foto bepaald worden. Mits er in ieder geval een beetje licht is. Alleen in absolute duisternis lukt het niet. Als er te weinig licht is kun je daar uiteraard zelf voor zorgen door bijvoorbeeld een flitser te gebruiken, maar dat laten wij hier buiten beschouwing. Zodra je het verband tussen sluitertijd, diafragma en iso-waarde begrijpt, ben je beter in staat om onder diverse lichtomstandigheden goed belichte foto’s te maken.

Met de juiste belichting maak je onder alle lichtomstandigheden een goede foto.

Sluitertijd

We beginnen met de sluitertijd. Als het erg licht is, bijvoorbeeld midden op een zonnige zomerdag, hoeft er maar een fractie van een seconde licht op de beeldsensor te vallen. Is er juist weinig licht, zoals ’s avonds in de schemering, dan moet de camera meer moeite doen om voldoende licht te verzamelen. Elke camera heeft daarom een mechanisme waarmee geregeld wordt hoelang het licht op de beeldsensor valt. Dat is de sluiter. Het is een soort gordijn dat razendsnel open en weer dicht gaat. Het bevindt zich tussen de lens en de beeldsensor. Zodoende valt er alleen bij geopende sluiter licht op de beeldsensor. Zodra de sluiter dichtgaat is de belichting afgelopen en de foto gemaakt. De sluitertijd bepaalt dus hoelang er licht op de beeldsensor valt. Bij veel licht volstaat een korte sluitertijd. Bij weinig licht is een lange sluitertijd nodig.

Bij weinig licht zoals hier kan met een sluitertijd van zes minuten alsnog een foto gemaakt worden.

Diafragma

In elke lens zit een diafragma. Dit is een (nagenoeg) cirkelvormige opening waarvan de grootte instelbaar is. Hiermee regel je hoeveel licht er via de lens de camera instroomt. Met andere woorden, door het diafragma een stukje te sluiten, doe je net alsof het donkerder is dan het in werkelijkheid is. Doordat de lensopening instelbaar is en hiermee de hoeveelheid licht die door de lens stroomt, heb je veel vrijheid om een bepaalde sluitertijd te kiezen.

Slim combineren

De combinatie van sluitertijd en diafragma bepaalt al voor een groot deel de belichting van de foto. Je kunt het vergelijken met een waterkraan. Die kun je helemaal opendraaien of een stukje. Daarmee regel je de hoeveelheid water die gelijktijdig uit de kraan stroomt: een enorme stroom, een dun straaltje, of enkele druppels per minuut. In een camera staat dit voor het diafragma. Daarnaast kun je een kraan heel kort openen of uren open laten staan. Hoe langer de kraan is geopend, hoe meer water er doorheen gaat. Dit is de sluitertijd. Door de kraan een stukje open te draaien (diafragma) en het water een tijdje te laten stromen (sluitertijd), vang je een bepaalde hoeveelheid water op in een emmer (de belichting).

Je laat de ‘kraan’ lang genoeg openstaan om voldoende licht te verzamelen.

Spelen met een kraan

De truc is nu om met deze twee variabelen te spelen, zodat je steeds de juiste hoeveelheid water (licht) krijgt. Stel dat je een emmer wilt vullen met water. Je kunt de kraan voluit opendraaien en snel daarna weer dicht. In korte tijd heb je dan een goed gevulde emmer. Je kunt de kraan ook op de druppelstand zetten en na een paar uur kijken of de emmer eindelijk vol is (en op een zomerse dag ontdekken dat alles ondertussen alweer verdampt is). Dit zijn natuurlijk wel de twee extremen, er zijn ontelbaar veel variaties mogelijk.

Creatieve mogelijkheden

Misschien vraag je je af waarom er zo veel manieren zijn om simpelweg een emmer met water te vullen. Oftewel: waarom meerdere combinaties van sluitertijd en diafragma toch exact dezelfde belichting geven. De reden is dat deze instellingen voor meer zaken gebruikt worden dan alleen de belichting. Met de sluitertijd bepaal je namelijk niet alleen hoe lang er licht op de beeldsensor valt, maar ook of bewegende voorwerpen haarscherp dan wel bewogen (vervaagd) op de foto komen. Het diafragma bepaalt hoeveel licht er door de lens stroomt, maar ook de scherptediepte. Scherptediepte is het gebied voor en achter het scherpstelpunt dat door ons nog als scherp ervaren wordt. Met andere woorden, behalve voor het bepalen van de belichting, zijn het vooral twee creatieve middelen waarmee je het uiterlijk van je foto’s helemaal naar smaak kunt bepalen.

Vijftien seconden bij diafragma f/8 of dertig seconden bij diafragma f/11 is vooral te zien aan de beweging van water en rookpluimen
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

ISO-waarde

Bij weinig licht is het lastig om de gewenste combinatie van diafragma en sluitertijd in te stellen. Je moet de lens dan helemaal openzetten en een lange sluitertijd gebruiken. Daardoor heb je weinig keuzemogelijkheden. In die gevallen kan de derde factor van de belichting ons redden. Door nu een hogere iso-waarde (lichtgevoeligheid) in te stellen, maken we de beeldsensor gevoeliger voor licht. Het lijkt dan lichter te zijn dan het in werkelijkheid is. Uiteraard is dit niet zo, het enige wat er gebeurt is dat het signaal elektronisch versterkt wordt. De chip wordt dus niet echt gevoeliger. Het voordeel is dat allerlei diafragmawaarden en sluitertijden nu weer te gebruiken zijn. Nadeel is dat niet alleen het licht maar ook allerlei ruis versterkt wordt. Bij de hoogste iso-waarden neemt de technische kwaliteit van de foto daarom af. Er ontstaan allerlei spikkels in de foto die er niet thuishoren, vooral in de wat meer donkere delen van het beeld. Wanneer de ruis echt storend wordt varieert per camera. Compact- en telefooncamera’s hebben er sneller last van dan spiegelreflexcamera’s.

Redelijk snelle sluitertijden zijn ook bij weinig licht mogelijk dankzij een hogere iso-waarde.

Camerastanden

Elke camera zal in de automatische stand zelf een geschikte sluitertijd, diafragma en iso-waarde uitkiezen. Daarnaast zijn er op de meer uitgebreide camera’s allerlei standen te vinden waarin je zelf het diafragma, de sluitertijd, of beide kunt instellen. Ook de iso-waarde kun je zelf instellen. Welke stand je kiest hangt af van het effect wat je in je foto nodig hebt. In  de Av-stand kies je zelf een diafragmawaarde. Dit doe je met name als je de scherptediepte in de hand wilt houden. Heb je met bewegende onderwerpen te maken en wil je bepalen of ze scherp of juist met bewegingsonscherpte worden vastgelegd, dan schakel je meestal over naar de Tv-stand. Werk je onder lastige lichtomstandigheden, dan is de M-stand beter geschikt.

Inschatten van de situatie

Elke camera probeert onder alle lichtomstandigheden een juist belicht foto te maken. Dat wil niet zeggen dat het ook altijd lukt. Soms wordt een foto alsnog te donker (onderbelicht) of juist te licht (overbelicht). Dit heeft te maken met waar wij dit verhaal mee begonnen zijn. Een camera kan niet altijd goed inschatten onder welke lichtomstandigheden een foto gemaakt wordt. Iets wat wij mensen wel kunnen. Een fototoestel verwacht een bepaalde hoeveelheid licht. Denkt de camera dat het lichter is dan gemiddeld, dan zal het automatisch korter gaan belichten om te voorkomen dat de foto overbelicht raakt. Alleen: vergist het toestel zich hierbij, dan raakt je foto juist onderbelicht. Hetzelfde gebeurt als er maar weinig licht is. Dan belicht de camera vanzelf langer om dit voor je op te lossen. Ook nu geldt dat een vergissing averecht werkt. Fotografeer je in een sfeervol restaurant zonder te flitsen, dan krijg je zomaar een overbelichte foto. Weg sfeer!

Voor een sfeerfoto als dit is het meestal nodig om de camera bij te sturen.

Meer of minder dan gemiddeld

Altijd als er meer of minder licht is dan gemiddeld, loop je kans op verkeerd belichte foto’s. In bijvoorbeeld een zonverlicht sneeuwlandschap is er extreem veel licht. Alleen is het nu niet de bedoeling dat de camera gaat onderbelichten, want dan wordt de foto te donker en verandert de sneeuw in smerig grijs. Jouw camera weet nu eenmaal niet dat je in de sneeuw staat, het merkt alleen dat het landschap bovengemiddeld fel verlicht is en wil dit voor je oplossen. Zie je ’s avonds allemaal mooi verlichte gebouwen en wil je daar een foto van maken? Als je niet ingrijpt zal de camera net zo lang belichten totdat het lijkt of je de foto bij midden overdag hebt genomen. Dag sfeer, dag mooie verlichting!

Alleen door over te belichten komt de sneeuw helderwit op de foto
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Zelf bijsturen

Krijg je in een (half)automatische stand te maken met een overbelichte of onderbelichte foto, dan heb je met lichtomstandigheden te maken die afwijken van het gemiddelde. Dit is eenvoudig op te lossen. Er zit een speciale knop of menuinstelling op je camera, genaamd belichtingscompensatie. Vaak staat er een symbool bij van een plus/minteken. Is het donkerder dan gemiddeld en belicht de camera te lang (wat zwart moet zijn wordt op de foto grijs)? Dan stel je een negatieve waarde in om de camera opdracht te geven korter te belichten. Is het erg licht en belicht de camera hierdoor te kort (wit wordt grijs), dan stel je een positieve waarde in om langer te belichten. Als je dit regelmatig doet, bouw je ervaring op. Na een tijdje zie je van te voren of je belichtingscompensatie nodig hebt. Belangrijk om te onthouden is dat je bij veel licht dus moet overbelichten en bij weinig licht juist onderbelichten! Dat klinkt misschien tegenstrijdig, maar je compenseert het gedrag van de camera.

In dit donkere olifantenverblijf was sterk onderbelichten nodig.

Belichtingscompensatie

Zodra je een overwegend donker gekleurd onderwerp in beeld neemt, is de kans groot dat het overbelicht op de foto komt. Zoals een zwarte kat, of een zwarte panter in een donkere hok in de dierentuin. Je verhelpt dit euvel door een belichtingscompensatie van bijvoorbeeld -1 of -2 in te stellen. De camera belicht dan korter, zodat zwart netjes zwart blijft. Heb je juist met een lichtgekleurd onderwerp te maken, zoals een bruid die voor een witte muur poseert, of een witte poes die door de sneeuw banjert, dan kun je ervan uitgaan dat de camera veel te kort belicht en alles donker, grauw en grijs op de foto komt. Hier stel je juist een positieve belichtingscompensatie in, bijvoorbeeld +1 of +2. Welke waarde je instelt hangt af van de lichtomstandigheden en is een kwestie van uitproberen en ervaring opdoen.

Door de felle lucht zou de plant erg donker worden. Daarom is hier overbelicht.
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Gereflecteerd licht

Alleen lichtbronnen stralen licht uit. De zon, een flitser, de lantaarnpaal voor de deur en onze lampen binnenshuis. Een landschap geeft geen licht, maar reflecteert zonlicht. Binnen kunnen we de krant lezen omdat er daglicht via een raam of licht van een lamp op het papier valt. Om een heel lang verhaal heel kort te maken, een camera ziet voornamelijk licht dat ergens door gereflecteerd wordt. Maar omdat niet alles evenveel licht reflecteert, maakt het toestel hierbij soms een inschattingsfout. Een zwarte wand reflecteert bijvoorbeeld veel minder licht dan een spierwitte muur. Zelfs als er exact evenveel licht opvalt, komen ze daardoor verkeerd op de foto te staan. Want richt je de camera om beurten op deze muren, dan meet de camera in het eerste geval heel weinig licht en in het tweede geval juist veel licht. Toch is het niet ineens lichter of donkerder geworden! Dit is de reden waarom soms om onverklaarbare redenen een foto zomaar verkeerd belicht wordt. Het is dus uiteindelijk wel verklaarbaar: reflectie. Wij mensen zien de muren wel zoals ze horen te zijn. Wij weten altijd meer dan een camera. Wij snappen namelijk waar we naar kijken.

Een krokodil in een ruimte met weinig licht vraagt om onderbelichting. Anders wordt de foto veel te licht.

Tot slot

Tot slot is ook het formaat van het onderwerp belangrijk. Hoe groter het hoofdonderwerp in beeld staat, hoe meer het van invloed is op de belichting die de camera kiest. Neem je iets echter maar klein in beeld, dan telt het ineens veel minder zwaar mee. Vooral de omgeving bepaalt dan de gekozen belichting. Kijk daarom niet puur en alleen naar het onderwerp, maar altijd in relatie tot het totale beeld!


Het onderwerp is licht en redelijk groot in beeld. De achtergrond is echter nogal donker.
Uiteindelijk bleek een kleine onderbelichting nodig.

10 Tips voor beginnende huwelijksfotografen

Als je maar lang genoeg met je fotografie hobby bezig bent komt de vraag meestal vanzelf wel voorbij of je iemands huwelijk wilt fotograferen. Waarschijnlijk iemand uit je vrienden of kennissenkring die vind dat je mooie foto’s kunt maken en stiekem een goedkope manier zoekt om mooie foto’s van hun huwelijk te krijgen. Het is natuurlijk best een eer om gevraagd te worden voor zo’n bijzondere dag. Ben je van plan aan een dergelijke opdracht te beginnen, lees dan in dit artikel de tien tips voor beginnende huwelijksfotografen.

Tip 1: Overweeg het verzoek nogmaals

Zoals ik al zei, het is een eer om gevraagd te worden. Dat betekent niet direct dat je ook ‘ja’ moet zeggen. Bedenk dat het hier wel gaat om een gebeurtenis die, hopelijk, maar eens in iemands leven voorbij komt. Vraag jezelf dus goed af of je wel de geschikte persoon bent om een huwelijksdag vast te leggen.

Het is een dag die razendsnel voorbij zal vliegen en waar een tigtal belangrijke fotomomenten in voorbijschieten die je als fotograaf niet mag missen. Het is daarnaast ook echt heel leuk om iemands huwelijksdag vast te mogen leggen, maar zorg ervoor dat je zeker weet dat je het aandurft.

Foto: Elja Trum

Tip 2: Afspraken maken

Maak vooraf goede afspraken over wat het bruidspaar van je gaat krijgen. Maak je een album, lever je foto’s aan op CD of USB stick, druk je foto’s af? Hoeveel foto’s ga je het bruidspaar leveren en hoeveel nabewerking voer je op de foto’s uit. Als fotograaf wil je dat het werk in verhouding staat met de beloning en wil je voorkomen dat werk waar je minder tevreden over bent dadelijk op internet te vinden is.

Het zou jammer zijn als je dagen je stinkende best doet om jouw beste werk af te leveren aan het bruidspaar en er dan achter te komen dat ze iets heel anders van je verwacht hadden. Voorkom teleurstelling achteraf door alles goed door te spreken.

Als dit (een van) je eerste bruiloften is, zorg dat het bruidspaar dit dan ook duidelijk weet. Je kunt je natuurlijk best voordoen als een ervaren fotograaf, maar als je resultaten daar niet naar zijn kun je wel iemands huwelijksdag een vervelende nasmaak geven.

Foto: Elja Trum

Tip 3: Afkijken

In de meeste gevallen is de heugelijke dag zelf nog ver weg. Bruiloften worden vaak al een jaar van te voren gepland. Tijd genoeg dus om je vaardigheden op dit vlak op peil te brengen. Probeer of je met een andere, meer ervaren huwelijksfotograaf, mee mag lopen. Dat kan als assistent, waarbij je tassen draagt, statieven vasthoud en aanwijzingen opvolgt. Het kan ook als tweede fotograaf; je fotografeert dan gedurende dag hetzelfde huwelijk vanuit een andere hoek. Je foto’s lever je in bij de hoofdfotograaf zodat hij zijn en jouw foto’s kan combineren. Beide is uiteraard leerzaam.

Tip 7: De juiste momenten

Voor een huwelijksfotograaf zijn er ‘ongeschreven regels’ over de foto’s die je minimaal moet hebben na een huwelijk. Denk aan een foto van de kus, de ringen, de bruidstaart en de eerste dans. De hele dag zit vol met deze belangrijke momenten en vaak zijn het momenten waar je als buitenstaander niet zomaar aan denkt.

Wist je bijvoorbeeld dat je de schoenen van de bruid ook vast moet leggen? Ondanks dat deze vaak onder een mooie huwelijksjurk verstopt zitten heeft de bruid en vaak veel tijd en moeite in gestopt om precies die juiste schoenen te vinden. Net als de jurk zal ze de schoenen waarschijnlijk ook nooit meer dragen.

Andere foto’s die je niet mag missen zijn bijvoorbeeld de ontroerde moeder van de bruid in de kerk, het staatsieportret van het bruidspaar voor oma en de achterkant van de bruidsjurk. Gelukkig zijn er op internet lijstjes te vinden met deze belangrijke momenten. De Amerikanen slaan hier overigens wel wat verder in door dan de gemiddelde Nederlandse fotograaf.

Foto: Elja Trum

Tip 8: Locaties

Zorg dat je vooraf weet waar je gaat fotografen. Zeker als je het nog niet zo vaak gedaan hebt kan dit je houvast geven. Sommige fotografen geven er zelfs de voorkeur aan om vooraf op de locatie te kijken en zo ook de lichtsituatie ter plaatsen te beoordelen. Dit kan slim zijn, denk bijvoorbeeld aan een kerk die donkerder uitvalt dan je verwacht of een locatie waar blijkt dat ze aan het verbouwen zijn. Voor sommige locaties heb je ook toestemming nodig om er te mogen fotograferen.

Foto: Elja Trum

Tip 9: Nabewerking

Goede foto’s kunnen niet zonder nabewerking. Een pakket als Adobe Photoshop Lightroom is ideaal voor het verwerken van grote hoeveelheden foto’s zoals bij een huwelijk. Wellicht is het slim om vooraf een cursus Lightroom te volgen (of een goed boek te kopen).

Persoonlijk kies ik er als fotograaf altijd voor om als eerste een redelijk strenge selectie te maken zodat ik zo’n 100 tot 150 foto’s van de gehele dag overhoudt. Alleen die foto’s bewerk ik na, zodat het overzichtelijk blijft en in een goede dag te doen is. Alleen aan de top 10 tot 25 foto’s besteed ik meer dan 2 minuten tijd in de nabewerking.

Tip 10: Laatste voorbereidingen

Zorg ervoor dat je de dag voor het huwelijk alles gereed hebt, lege geheugenkaartjes en volle accu’s. Je tassen ingepakt, telefoonnummers genoteerd en de route van de dag uitgeprint. Mail eventueel het bruidspaar nog om ze een fijne nacht te wensen en ze gerust te stellen dat jij er helemaal klaar voor bent en je er de volgende dag op tijd zult zijn. Veel succes en plezier!

Foto: Elja Trum

Tip 4: Camera’s en objectieven

Zorg ervoor dat je apparatuur op orde is voor de huwelijksdag. Als amateurfotograaf zul je niet vaak over twee camera’s beschikken, maar het is wel erg belangrijk dat je die op een dag als deze bij je hebt. In noodgevallen kun je een compactcamera gebruiken, maar leen bij voorkeur een spiegelreflexcamera van een bevriend fotograaf. Bij voorkeur dezelfde camera als je zelf gebruikt, of in elk geval hetzelfde merk. Controleer ook of de datum, tijd en andere instellingen overeenkomen met jouw eigen camera. Dat scheelt een boel gedoe op de dag zelf of tijdens de nabewerking.

Als je toch twee camera’s hebt dan kun je ze ook beide actief gebruiken. Hang twee camera’s om je nek met op beide een ander objectief. Van camera wisselen is sneller dan een objectief wisselen. Ik gebruik zelf een Canon 5D Mark II als eerste body en een 1D (Mark I) als tweede. Op de ene camera monteer ik een Canon 24-70 f2.8 L groothoekobjectief en op de tweede een 70-200 f2.8 L. Daarnaast neem ik ook een macrolens mee (Canon 100mm f2.8), bijvoorbeeld om een close-up van de ringen te maken. Een externe flitser is ook aan te bevelen.

Gebruik twee camera's

Tip 5: Voldoende geheugenkaartjes

Het laatste dat je wilt dat je overkomt is dat je tijdens de dag niet voldoende geheugenkaartjes hebt om de grote hoeveelheid foto’s die je schiet op te slaan. Geheugenkaartjes zijn goedkoop, je koopt voor een paar tientjes al 8 of 16 GigaByte (GB). Op een huwelijk schiet ik gauw 400 tot 800 foto’s, maar er zijn ook fotografen die gemakkelijk het dubbele halen. Schiet bij voorkeur in het RAW-formaat.

Controleer voor belangrijke momenten of je nog ruim voldoende foto’s op het geheugenkaartje in je camera kunt opslaan. Je wilt geen belangrijk moment missen omdat je net een geheugenkaartje moet wisselen (hetzelfde geldt natuurlijk voor je accu’s). Nog een praktische tip: bewaar volle en lege geheugenkaartjes duidelijk van elkaar gescheiden zodat je jezelf niet kunt vergissen. Stop ze nooit los in je broekzak, want daar kunnen ze gemakkelijk uitvallen.

Tip 6: Accessoires

Naast je camera’s, objectieven, accu’s en geheugenkaartjes zijn er nog voldoende accessoires die nuttig kunnen zijn tijdens een huwelijksdag. Je hoeft ze niet allemaal de hele tijd met je mee te slepen, maar het kan handig zijn om ze in je auto te hebben liggen zodat je er, indien nodig, snel bij kunt.

Natuurlijk zijn er fotografische accessoires zoals een flitser, een reflectiescherm, een statief en de acculader van je camera. Maar nog wat verder vooruit denken is ook goed. Een fleecekleed is bijvoorbeeld handig om onder de bruidsjurk te leggen wanneer je het bruidspaar zitten op de foto wilt en een trapje kan handig zijn om groepsfoto’s te maken. Het kan ook leuk zijn om je laptop of iPad mee te nemen zodat je gedurende de dag eventueel ook al wat foto’s kunt laten zien. Tijdens een receptie is er vaak wel tijd en plek om even een paar foto’s als preview klaar te maken.

Polarisatiefilter: onmisbaar voor iedere fotograaf

Vrijwel iedereen gebruikt of heeft wel eens gehoord van een uv-filter. Dit filter beschermt je lens, maar doet verder praktisch niets. Maar heb je wel eens een polarisatiefilter gebruikt? Deze gebruik je niet zozeer om je camera te beschermen, maar om je foto’s te verfraaien. Dat scheelt niet alleen veel Photoshop-werk achteraf, maar maakt ook dingen zichtbaar die je anders niet ziet. Er gaat letterlijk een nieuwe wereld voor je open, maar er zijn wel een paar spelregels.

Wat is het effect van een polarisatiefilter?

Voordat we bespreken hoe een polarisatiefilter (ook wel ‘pola’ genoemd) precies werkt, beginnen we met het resultaat. Immers, beelden zeggen meer dan woorden. In dit artikel hebben we een groot aantal voorbeeldfoto’s opgenomen waardoor je het resultaat van een polarisatiefilter goed kunt zien. We tonen steeds de foto zonder polarisatiefilter. Als je met de muispijl op de foto gaat staan, zie je dezelfde foto met polarisatiefilter. Alle beelden zijn zo goed als onbewerkt, zodat het verschil duidelijk zichtbaar is. Dus voor de duidelijkheid: ook de foto’s mèt polarisatiefilter zijn onbewerkt. Het magische verschil is echt puur en alleen te danken aan het filter.

Photoshop? Nee, een polarisatiefilter (locatie: Ierland)

Zoals je kunt zien is het resultaat verbluffend. Blauwe luchten worden blauwer, witte wolken worden witter en de reflectie op het water verdwijnt zodat je er doorheen kunt kijken. Verder vergroot een polarisatiefilter het contrast en de kleurverzadiging en toont het meer nuances in schaduwpartijen.

Wel of geen polarisatiefilter is een wereld van verschil, zoals je kunt zien aan de voorbeeldfoto’s. De meeste fotografen kunnen niet meer zonder. Een pola toont een wereld die met het blote oog niet zichtbaar is. Het kan spiegelingen verminderen, de lucht verfraaien en je foto’s contrastrijker en meer verzadigd maken. Het is daarom een filter dat eigenlijk in iedere fotografentas zou moeten zitten.

(locatie: Rhodos, Griekenland)

Samengevat:

  • Een pola vermindert reflecties
  • Een pola maakt de lucht donkerder blauw en wolken witter
  • Een pola zorgt voor meer contrast en verzadiging
  • Een pola zorgt voor meer evenredige belichting (meer details in schaduwpartijen)
  • Een pola is het meest effectief wanneer de zon schijnt
  • Het effect is maximaal op 90 graden van de zon
  • Een pola kost 1 tot 2 stops licht
  • Plaats een pola niet over een uv-filter
  • Gebruik alleen een circulaire polarizer
  • Gebruik step-up ringen voor gebruik op andere objectief/camera’s
  • De prijs is mede afhankelijk van de filtermaat van je objectief (hoe groter, hoe duurder)
  • Pas op: goedkoop is vaak duurkoop

Een polarisatiefilter verandert de invalshoek van het (zon)licht. De zon produceert lichtstralen die alle kanten op gaan. Sommige lichtstralen gaan op en neer (verticale), sommige gaan van links en rechts (horizontaal) en alle richtingen die daar tussen zitten. Een polarisatiefilter filtert bepaalde lichtstralen, zoals de verticale, en toont alleen de horizontale. De horizontale stralen zorgen voor een meer evenredige belichting, doordat de stralen door hun invalshoek minder reflecteren. Doordat lichtstralen gefilterd worden, verlies je wel wat licht met een polarisatiefilter, wat dus resulteert in langere sluitertijden (1 à 2 stops). Buiten is dat geen enkel probleem, maar binnen kun je een dergelijk filter daardoor dus beter niet gebruiken.

Wat is het effect?

Een polarisatiefilter is een ideaal hulpmiddel, vooral in combinatie met mooi weer en speciale omstandigheden zoals sneeuw of strand. In een skigebied zorgt dat bijvoorbeeld voor helderwitte sneeuw en fel blauwe luchten die strak tegen elkaar afsteken. In kustgebieden neemt een polarisatiefilter reflecties op het water weg, waardoor je recht door de zee heenkijkt en de bodem kunt zien. Hierdoor zie je met een pola meer dan met het blote oog. Misschien herken je het effect van een (dure) zonnebril, zoals een Polaroid. Deze doet in principe hetzelfde. Ook in huis-tuin-en-keuken-situaties komt een polarisatiefilter van pas. Doordat deze reflecties kan wegnemen, kun je ook spiegelingen in ramen en glimmende objecten, zoals auto’s, verminderen of zelfs geheel wegnemen. Dergelijke reflecties leiden bijzonder af van het onderwerp, zorgen voor overbelichting en het verlies van detail. Een ander voordeel van een polarisatiefilter is de versterking van het contrast en de verzadiging. Dat scheelt weer nabewerking achteraf en je foto’s krijgen net wat extra ‘schwung’.

Een polarisatiefilter kan reflecties wegnemen (locatie: Burgers Zoo, Nederland).

In het bovenste voorbeeld zie je dat een polarisatie het fotograferen een stuk makkelijker kan maken door reflecties in ramen te  verminderen. Dat komt niet alleen bij ramen van pas, maar ook bij glimmende objecten zoals auto’s. En als je een ondiep meer of zeer fotografeert met een polarisatiefilter, neem je reflecties weg, waardoor meer ziet dan met het blote oog. Soms zie je zelfs dingen die zonder polarisatiefilter amper zichtbaar zijn, zoals in het voorbeeld hieronder.

Spot de vis, zonder en met polarisatiefilter (locatie: Ierland).

Circulair en lineair

Er bestaan lineaire en circulaire polarisatiefilters. De eerste kun je het beste direct vergeten, want deze werden vooral vòòr het autofocustijdperk gebruikt en zijn tegenwoordig gedateerd. Ze bestaan nog wel, maar voor gebruik met digitale spiegelreflexcamera’s worden circulaire polarizers aangeraden. Lineaire filters kunnen een nadelig effect hebben of de autofocus, hoewel dit per cameramerk en -type verschilt. Hoe dan ook kun je beter op safe spelen en altijd voor een circulair filter gaan.

(locatie: New York, VS)

(locatie: Egypte)

(locatie: Egypte)

(locatie: Nederland)

(locatie: San Francisco, VS)

(locatie: Las Vegas, VS)

Aan het gebruik van een polarisatiefilter gaan wel wat spelregels vooraf. Het is niet zo dat het filter automatisch als toverstokje fungeert en je foto’s verfraait. De belangrijkste spelregel is dat een pola het grootste effect heeft op 90 graden van de zon. Een hulpmiddel is om je rechterhand plat richting de zon te houden en dan met je duim naar links te wijzen (of andersom met je linkerhand). Sommige pola’s hebben een wit streepje op de ring als hulpmiddel; deze moet richting de zon wijzen. Soms beperkt de stand van de zon  de mogelijkheden voor je compositie, bijvoorbeeld wanneer de zon voor of achter in beeld staat. Uiteraard kun je ook in andere posities het filter gebruiken, maar het effect zal minder sterk zijn.

Afstellen

Wanneer het polarisatiefilter op de lens gemonteerd is, kun je aan het uiteinde draaien om het gewenste effect in te stellen. Dat varieert van geen effect, tot halve en volledige polarisatie. Wanneer je wisselt van een horizontale foto naar een verticale (of andersom) moet je het filter opnieuw instellen. Ook als je een lens hebt waarbij het voorste lenselement draait tijdens het scherpstellen (zoals bij veel kitlens) zul je bij iedere foto het filter goed moeten afstellen. Wanneer je telkens in dezelfde richting fotografeert hoef je het filter niet telkens aan te passen. Echter, wanneer de hoek ten opzichte van de zon verandert, is het aan te raden om het filter te roteren als je het maximale effect wilt bereiken. Let er op dat je enkel aan het draaibare deel van het filter zelf draait en niet aan de ring waarmee deze aan de lens bevestigd is (hierdoor kan het filter van de lens vallen).

Een polarisatiefilter bestaat uit twee verschillende delen. Alleen het voorste glasdeel beweegt.

Oefening baart kunst

Wees niet teleurgesteld als je een polarisatiefilter hebt gekocht en niet dezelfde resultaten behaald als in dit artikel. Het kost tijd om de optimale werking van het filter te leren kennen. Richtlijnen als werken op 90 graden van de zon en net zo lang draaien aan het filter totdat je het maximale effect bereikt hebt, zijn erg belangrijk. Daarnaast heeft de stand van de zon, oftewel het moment van de dag, ook grote invloed op het resultaat. Ook een zonnige dag is natuurlijk aan te bevelen, want op een grauwe dag zul je weinig boeiende resultaten boeken met je polarizer (uitgezonderd het wegnemen van spiegelingen).

Ten slotte is het belangrijk om te weten dat Nederland niet het ideale land is, als het gaat om effecten met water. Het beste ingrediënt daarvoor is namelijk kristalhelder en ondiep water. In landen aan de Middellandse zee zul je fraaiere resultaten halen, omdat het water daar helderder is (het effect van ‘door het water heenkijken’ is daardoor een stuk groter. Desondanks kun je ook in Nederland en België mooie foto’s in combinatie met een polarisatiefilter produceren. Begin eens met het fotograferen van wolken op een zonnige dag. Als je wilt oefenen is vooral het effect van het draaien van het filter in combinatie met de hoek ten opzichte van de zon van belang.

(locatie: Rhodos, Griekenland)

Aandachtspunten

Verder is het belangrijk om je te realiseren dat een polarisatiefilter leidt tot verlies van lichtsterkte. Gemiddeld is dat één tot twee stops, bij een maximaal effect. Dat betekent dat je met langere sluitertijden te maken krijgt, wat bewegingsonscherpte in de hand werkt. Het is daardoor aan te raden om een pola vooral te gebruiken bij goed weer (oftewel veel licht) en op een lichtsterke lens. Beeldstabilisatie in de camera of het objectief kan dit verschil gedeeltelijk compenseren, maar dit is vooral effectief bij statische objecten zoals landschappen (en veel minder bij een bewegend onderwerp). Een ander heikel punt is de zonnekap. Wanneer je lens een grote zonnekap heeft, kun het filter vrij lastig draaien. Je kunt dan het beste eerst het filter op de juiste stand zetten en vervolgens de zonnekap monteren. Ook kun je de zonnekap achterwege laten om makkelijker te kunnen werken. Dit is niet altijd ideaal vanwege het gevaar voor ‘flare’ (lichtvlekken), maar wanneer je 90 graden vanaf de zon werkt valt dat meestal wel mee.

Slimline

Een pola kan het beste rechtstreeks op de lens worden bevestigd. Als je al een uv‑filter gebruikt is het aan te raden deze niet te laten zitten. Ieder extra stuk glas voor de lens maakt deze minder lichtsterk en kan leiden tot onscherpte en vignettering. Dat betekent dus wel dat je regelmatig met filters in de weer bent, die met zorg behandeld moeten worden (een speciaal beschermend filterhoesje is aan te raden). Op extreme groothoeklenzen (met een grotere beeldhoek dan de kitlens) is een zogenaamd ‘slimline’ filter aan te bevelen. Sommige pola’s zijn dikker dan een standaard uv-filter en zullen daardoor vignettering, oftewel donkere randen in de uiterste hoeken, in de hand werken. Een slimline filter is platter dan een standaard uv-filter en daarmee uitstekend geschikt voor groothoeklenzen, tot en met extremen als 10mm aan toe. Een nadeel van een slimline-filter is echter dat je er geen lensdop op kunt bevestigen en dat ze doorgaans duurder zijn. Fabrikanten als Hoya en B+W produceren overigens momenteel filters die veel platter zijn dan vroeger, dus of een slimline echt nodig is, kun je het beste van te voren even testen.

Er zijn verschillende soorten polarisatiefilters, van klein tot groot, goedkoop en duur en dun tot dik. Een polarisatiefilter is per definitie duur. Ze zijn er al vanaf een paar tientjes, maar prijzen van honderden euro’s zijn ook niet ongebruikelijk. Dat is met reden. De duurdere modellen gebruiken meerdere lagen glas en zijn beter geoptimaliseerd. Dat heeft als gevolg dat het filter een stuk effectiever is. En aangezien het juist gaat om dat effect, is het zaak om daar vooral niet op te bezuinigen. Ook verlies je met de goedkoopste serie filters vaak meer licht en soms gaat het gebruik zelfs ten koste van de optische prestaties. Denk er aan dat het filter waarschijnlijk langer meegaat dan je camera en dus een langetermijninvestering is.

Links een goedkoop filter, rechts een duur filter. Het verschil is duidelijk zichtbaar.

We raden dan ook aan om niet het goedkoopste van het goedkoopste te nemen, omdat goedkoop in sommige gevallen duurkoop is. Verder is dan ook aan te bevelen om meerdere exemplaren te testen bij een fotozaak en niet blindelings tot de aankoop overgaan. De prijs van een filter stijgt ook aanzienlijk naarmate de omvang toeneemt. Een 52 of 58mm pola van een bekend merk is doorgaans goed te betalen, maar wanneer je 77mm filters of groter nodig hebt, is de prijs al snel een factor twee hoger. Als je meerdere objectieven hebt wordt het helemaal een dure aangelegenheid, hoewel je eventueel wel step-up of step-down ringen kunt gebruiken om een andere filtermaat op je objectief te zetten.

Een polarisatiefilter zorgt voor een meer evenredige belichting, waardoor je meer details in donkere delen ziet.

(locatie: Kreta, Griekenland)

Voor welk objectief? En welk doel?

Het zou ideaal zijn om een polarisatiefilter voor al je lenzen te hebben, maar in de praktijk is dat niet realistisch. Omdat de maten van objectieven per type verschillend zijn, is dat een dure hobby (tenzij je lenzen allemaal dezelfde maat hebben). Als je economisch verantwoord bezig wilt zijn, kun je je het beste afvragen op welke lens je het filter het meest zult gebruiken. Een polarisatiefilter is bij uitstek geschikt voor landschapsfotografie, dus de lens die je daarvoor gebruikt ligt het meest voor de hand. Denk ook vooruit of je die lens nog lang zult gebruiken of op korte of lange termijn wilt inruilen voor een ander exemplaar. Stel dat je bijvoorbeeld nu een 18-55mm kitlens gebruikt, maar aast op een ander objectief, dan kun je misschien beter nog even wachten (of een step-up ring gebruiken). Hoewel landschappen vooral met groothoeklenzen worden gefotografeerd, kan dat ook met een telelens. Als je veel met tele fotografeert, is het zeker interessant om daar op een polarisatiefilter op te gebruiken. Voor andere doeleinden, zoals macro’s en binnenfotografie is een polarisatiefilter niet echt van meerwaarde. Bij productfotografie kan hij overigens wel van pas komen (dankzij de eigenschap om reflecties te verminderen).

Basiskennis: Videofilmen met een fotocamera

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook. Het is allang niet meer zo dat je daar een camcorder voor nodig hebt. Sinds het digitale tijdperk is filmen leuker en makkelijker dan ooit tevoren. En sinds de intrede van hd en filmende spiegelreflexen is de kwaliteit enorm toegenomen en kun je met een fototoestel scherptediepte effecten berijken die met een videocamera niet mogelijk zijn. Toch zijn er wel een aantal punten om op te letten wanneer je met je camera wilt filmen.

Het duurde niet lang voordat digitale camera’s ook een filmfunctie kregen. Immers, de sensor was ertoe in staat en het beeld was toch digitaal. Aanvankelijk was de resolutie zeer beperkt evenals het aantal beelden per seconde, waardoor het er niet echt uit zag. Maar dat is nu verleden tijd – helemaal sinds moderne camera’s ook in hd-kwaliteit kunnen filmen. Zelfs digitale spiegelreflexcamera’s zijn er tegenwoordig toe in staat (in feite dankzij een doorontwikkeling van live-view). Dankzij de grotere sensor zijn de filmbeelden van een spiegelreflex kwalitatief nog een stuk beter dan die van een compactcamera, wat vooral merkbaar is onder slechte lichtomstandigheden. Ook is de beperkte scherptediepte die een spiegelreflex biedt (in combinatie met lichtsterke lenzen) fenomenaal – waardoor de kwaliteit van professionele films haast geëvenaard wordt en een echte ‘film look’ mogelijk is.

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook!

Beperkingen

Er zijn soms wel een aantal beperkingen. Zo is het bijvoorbeeld met spiegelreflexcamera’s vaak niet mogelijk om automatisch scherp te stellen tijdens het filmen. Sommige modellen kunnen het wel, maar het gaat dan zeer traag of werkt alleen maar met gezichten (op basis van gezichtsherkenning). Gelukkig is scherpstellen ook niet altijd nodig; vooral na in- of uitzoomen of bij een bewegend onderwerp is het van belang. Een andere handicap is dat sommige compactcamera’s niet of beperkt kunnen zoomen tijdens het videofilmen. Nu is zoomen in de officiële filmwereld ook niet echt gewenst, maar voor het vastleggen van bijzondere gebeurtenissen kan dat wel een groot nadeel zijn. Ook zijn camera’s niet altijd in staat om te filmen in het donker of onder slechte lichtomstandigheden. Camcorders hebben daar een speciale stand voor, zoals infrarood. Een laatste nadeel is de vaak beperkte kwaliteit van de ingebouwde microfoon. Deze zit ergens weggewerkt en legt het geluid meestal niet kraakhelder vast. In een lawaaierige omgeving, zoals bij concerten, raakt het geluid soms overstemd. Bovendien is de kans groot dat u last hebt van allerlei nevengeluiden van de camera zelf, zoals het vasthouden, in- en uitzoomen en scherpstellen. En als laatste geldt uiteraard dat een fotocamera in veel gevallen ergonomisch minder geschikt of om mee te filmen dan een echte videocamera. Zeker bij langere of moeilijke shots kan dat problemen opleveren.

Het is handig om voor het filmen te bedenken wat je wilt vastleggen. Wat het is hoofdonderwerp? Welke achtergronden zijn interessant? Vanaf welke positie is het licht het best? Wat betreft dat laatste, net zoals bij fotografie is filmen met de zon in de rug een bekende tip. Kies van tevoren een onderwerp en wissel niet zo vaak tijdens het filmen. Beweeg de camera altijd rustig en gecontroleerd.

Stabiliteit

Het is erg lastig om een camera helemaal stil te houden. Een kleine camcorder of fotocamera is hier eerder een nadeel dan een voordeel. Een flinke camera ligt over het algemeen stabieler in de hand. Het is dan ook aan te raden om een camera met twee handen vast te houden en niet met uitgestrekte arm te filmen. De lichte trillingen van handen en armen zijn terug te zien in het resultaat en dat levert een onrustig beeld op. Gelukkig hebben de meeste nieuwe videocamera’s beeldstabilisatie. Een bewegend element in de camcorder of het objectief compenseert dan lichte trillingen, waardoor het beeld rustig blijft. Dit maakt het ook mogelijk om sterker in te zoomen, zonder dat de kijker meteen ‘zeeziek’ wordt. Maar desondanks is het aan te raden om de maximale zoomstand te vermijden. Zelfs met beeldstabilisatie is het beeld dan lastig stabiel te krijgen.

Een lens met beeldstabilisatie is een pluspunt tijdens het videofilmen omdat het beweging tegen gaat. Een minpunt is dat de stabilisatie (evenals het scherpstellen) soms wel te horen is in de opname.

Er bestaan ook dure stabiliteitsoplossingen die in de professionele filmwereld worden gebruikt, maar dat vergt een zeer grote investering.

 

Niet zoomen

Tijdens het filmen kun je het best zo min mogelijk in- en uitzoomen. Ook dat komt onrustig over. Je kunt beter even de opname stilzetten en dan in- of uitzoomen en het filmen vervolgen. Een uitzondering is wanneer het zoomen heel langzaam gaat. Dat kan juist erg mooi zijn.

Los van bestandsformaten, zijn er ook verschillende resoluties die gebruikt kunnen worden. De VGA-resolutie is het meest gebruikelijk en bestaat uit 640×480 pixels (4:3).Sommige camera’s bieden ook een breedbeeld variant met 854×480 pixels (WVGA). Beide standen voldoen prima, maar halen niet de hoge kwaliteit van hd. Dat begint namelijk bij 1280×720 pixels, wat ook wel 720p wordt genoemd. Desondanks kan VGA-kwaliteit in sommige gevallen voldoende zijn – dit bespaart opslagcapaciteit en hd-kwaliteit is lang niet altijd noodzakelijk. Vooral wanneer u veel wilt filmen is (W)VGA ideaal. Maar als u thuis een hdtv hebt staan, ligt filmen in hd wel het meest voor de hand. Dat is een stuk scherper en gedetailleerder dan VGA, waardoor de beleving tijdens het kijken veel groter is. U kunt uw camera rechtstreeks op de tv aansluiten via een HDMI-kabel of tulpstekkers (composiet).

HD-kwaliteit

Veel compact- en spiegelreflexcamera’s kunnen ook filmen in hd. Er zijn twee hd-formaten in omloop: 720p en 1080i / 1080p. De eerste is voldoende als u over een zogenaamde HD Ready-tv beschikt. De resolutie hiervan bestaat uit 1280×720 pixels. Dit is al bijna een verdubbeling ten opzichte van VGA en in de meeste gevallen voldoende. Hebt u echter een Full HD-tv, of wilt u simpelweg de best mogelijke kwaliteit, dan kunt u ook voor de 1080i of 1080p-stand kiezen. Deze gebruikt 1920×1080 pixels, waardoor het detail nog een stuk beter is dan 720p. Het verschil is echter minder groot dan de overgang van VGA naar 720p; niet iedereen zal het verschil waarnemen. Vooral op een bijzonder grote tv (met een diameter van een meter of meer) is het verschil echt te zien.

Het verschil in beeldomvang (en dus beeldkwaliteit) is op dit plaatje goed te zien. 1080p hd is circa 5x beter dan VGA. (beeld: Wikipedia)


Op het lcd-scherm is meestal te zien welke beeldkwaliteit (1080p/720p/VGA) en beelden per seconde (24/25/30) er gebruikt worden

Videoformaten

Er zijn verschillende videoformaten. Dit zijn digitale bestanden, waarbij het verschil meestal zit in de gebruikte compressietechniek en de manier waarop gegevens bewaard worden. Door de wildgroei aan verschillende formaten zijn bestanden niet altijd goed uitwisselbaar met andere apparaten. Van oorsprong was MPEG, in feite een variant op jpeg, het meest bekende formaat, maar dit heeft recentelijk aan populariteit ingeboet. Er zijn drie verschillende versies: MPEG1, -2 en -4. Een populair formaat is AVI. Dit is in feite een open standaard voor Windows, dat met behulp van codecs op verschillende manieren opgeslagen en afgespeeld kan worden. Een ander formaat is MOV, ofwel Apple Quicktime. Een recente ontwikkeling is het AVCHD-formaat dat ontwikkeld werd door Sony en Panasonic. Dit is gebaseerd op MPEG4 en Dolby AC-3 en kan worden afgespeeld op blu-ray-spelers.

Beelden per seconde

Wanneer je serieus gaat filmen zijn ook het aantal beelden per seconde – veelal uitgedrukt in fps – van belang. Toen Canon uitkwam met haar eerste filmende reflex, de 5D Mark II, was er kritiek uit de filmwereld. De Canon filmde met 30 fps, terwijl in de filmwereld 24 fps gebruikelijk is. De concurrerende Nikon D90 filmde wel met 24 fps en was daardoor – ondanks het 720p-formaat – in eerste instantie een betere keus dan de 5D Mark II (1080p). Een film met 30 fps laat zich namelijk niet zo makkelijk converteren naar 24 fps – althans niet op professionele niveau. Canon heeft later de firmware aangepast zodat het aantal fps handmatig instelbaar was (24/25/30). Als je puur als consument filmt en hooguit van plan bent een film in de familie- of vriendenkring af te spelen is het aantal beelden per seconde niet iets om je druk over te maken. Heb je echter ambities of film je voor een derde partij, dan is het handig om hier rekening mee te houden.

Eric van Ballegoie heeft een interessant praktijkartikel geschreven op Technyx, in blogvorm. Met een Canon EOS 60D en wat andere camera’s heeft hij een videoclip opgenomen voor de band Run Free. Het geheel is bewerkt met Adobe Premiere CS5. De clip kun je hieronder bekijken. Wil je weten hoe deze precies gemaakt is, lees dan zijn verhaal.

Zoals gezegd, sommige compactcamera’s doen het automatisch en sommige doen het simpelweg niet, maar bij spiegelreflexcamera’s gaat het scherpstellen meestal niet optimaal – net zoals tijdens live view, is de autofocus van de camera tijdens het filmen beperkt. Dat komt doordat de spiegel opgeklapt is en de autofocussensoren (die in contact staan met de spiegel) daardoor niet werken. Net zoals bij live view kun je de camera het beste van tevoren scherpstellen. Een groothoeklens werkt het beste, omdat deze de meeste scherptediepte biedt, waardoor de kans op onscherp beeld veel kleiner is dan met bijvoorbeeld een telelens. Ook zoomen is in principe niet gewenst, omdat de camera dan opnieuw moet scherpstellen. Van tele naar groothoek kan wel, maar andersom zal al snel onscherp beeld opleveren.

Handmatig scherpstellen

Het werkt het beste om tijdens het filmen handmatig scherp te stellen. Dit vergt wel enige oefening en is niet altijd ideaal. Maar je kunt dan zelf veel sneller inspelen op veranderende situaties dan de camera dat kan. Je kunt de lens (of camera) tijdens het filmen het beste in de MF-stand zetten (handmatig). Bij bepaalde lenzen is dit niet nodig, omdat deze altijd handmatig gecorrigeerd kunnen worden. Om het gebruiksgemak tijdens filmen met een spiegelreflexcamera te verbeteren bieden meerdere bedrijven inmiddels ‘rigs’ aan. Middels een combinatie van buisjes, klemmen en steunen is het hiermee mogelijk om de camera op of tegen de shouder te laten steunen en met een zogenaamde ‘follow focus’ ook het scherpstellen makkelijker te maken. Dergelijke rigs zijn naar eigen smaak samen te stellen, maar de kosten lopen al snel op tot ver boven de duizend euro.


Een ‘rig’ zoals deze van Zacuto biedt meer stabiliteit tijdens het filmen en maakt makkelijker scherpstellen mogelijk.
De prijs van dit soort hulpmiddelen is echter stevig.

Spelen met scherptediepte

Het bijzondere aan filmen met een spiegelreflex is het ‘spelen’ met beperkte scherptediepte. In vergelijking met reguliere videocamera’s en compactcamera’s is het verschil tussen scherpte en onscherpte veel groter en dat kan fraaie beelden opleveren (denk dan bijvoorbeeld aan een scherpe uitgestrekte hand en een onscherp gezicht). Lichtsterke lenzen (zoals f2.8 of beter) zijn een pre. De functionaliteit van veel spiegelreflexcamera’s is echter beperkt. De belichting, op basis van de sluitertijd en het diafragma, wordt vaak volledig automatisch geregeld. Je kunt dus niet altijd zelf een diafragmawaarde kiezen, waarmee je de scherptediepte bepaalt. Het is wel mogelijk door de contacten van de lens af te plakken. De camera kan dan niet meer met de lens communiceren en zal automatisch de grootste lensopening gebruiken, met een groot scherptediepte-effect als gevolg.

Een andere methode is het gebruiken van oude handmatige lenzen. Uitgezonderd enkele nieuw aangekondigde handmatige lenzen, gaat het dan om lenzen van minimaal twintig jaar oud die geproduceerd zijn vóór het autofocustijdperk. Het voordeel van deze lenzen is dat ze een diafragmaring hebben. Hiermee kun je op ieder moment het diafragma wijzigen, dus ook tijdens het filmen. De camera past de belichting er automatisch op aan. Dergelijke lenzen vind je voor een paar tientjes op bijvoorbeeld Marktplaats, Speurders of eBay. Je hebt meestal wel een adapter nodig om ze te kunnen gebruiken. Er is een groot aanbod van M42-lenzen (ook bekend als p-draad). Met een bijpassende M42-adapter kun je deze op je camera monteren.

Met een ‘oude’ lens uit het analoge (en non-autofocus) tijdperk, kun je het diafragma wijzigen tijdens het filmen.
(afgebeeld: Pentacon 50mm f1.8)

Wie filmt, ontkomt eigenlijk niet aan de nabewerking. Voor jezelf is de complete opname misschien een aardige herinnering, maar voor anderen zijn er legio passages die saai zijn als ze te lang duren. Bovendien zijn er maar weinig mensen die graag meer dan een uur naar andermans vakantiebeelden kijken. Ook documentaires op de tv zijn zelden langer dan 50 à 60 minuten. Voor vertoning aan anderen moet je de opname dus redigeren door er de minder interessante delen uit te knippen. Bovendien is er vaak een betere volgorde aan te brengen in de opnamen, zodat ze een mooier verhaal vertellen. Een film chronologisch afspelen is niet altijd even logisch. Bewaar de complete opname, en maak er een kopie van om die met de computer te bewerken. Dat is niet moeilijk en je kunt er ook nog fraaie (overgangs)effecten, teksten en muziek aan toevoegen. Daarvoor heb je wel beeldbewerkingssoftware nodig. Windows-gebruikers beschikken standaard over Windows Movie Maker en voor Apple-gebruikers is iMovie perfect. Ook wordt er meestal een basispakket meegeleverd bij een camcorder of fotocamera, maar wie serieus aan de slag wil, kan beter een uitgebreider programma aanschaffen. In het begin zijn alle fraaie effecten van dergelijke software heel interessant om te proberen, maar voor vertoning aan anderen is het de kunst om het simpel te houden. Een overdaad aan verbluffende effecten kan ook averechts werken.

Software

De camerafabrikant levert software mee om uw videobeelden te bewerken. Deze heeft echter beperkte functionaliteit. Goede en betaalbare alternatieven zijn Adobe Premiere Elements, Pinnacle Studio, Corel Video Studio, Windows (Live) Movie Maker en iMovie (Apple). Uiteraard kun je je videofilms ook uploaden naar YouTube. Wanneer de film af is, kun je deze (met behulp van videosoftware) ook op een schijfje zetten. Een beschrijfbare dvd is het standaardmedium, maar films met hd-kwaliteit (om af te spelen op een hdtv) kunnen het beste op een Blu-ray schijfje worden gebrand. Blu-Ray is het meest geschikte medium voor films in hd-kwaliteit, maar je hebt wel een Blu-Ray speler nodig (in uw computer of naast de tv) om de film af te spelen. Je kunt hd-materiaal ook op een dvd opslaan, maar dan is de capaciteit beperkt tot maximaal 20 minuten.

Wanneer je in hd hebt gefilmd, komen je filmbeelden het best tot hun recht op een hdtv. Je kunt de camera aansluiten via een HDMI-kabel.

Fotograferen tijdens het filmen

Bij sommige camera’s is het mogelijk om tijdens het filmen te fotograferen. Hoewel hd-kwaliteit goed is, haalt de beeldkwaliteit het niet bij de fotoresolutie met tig megapixels. De video-opname wordt wel even gestopt tijdens het fotograferen en gaat dan weer verder wanneer de foto gemaakt is. Bedenk wel dat er dan een ‘gat’ en vreemde overgang in het videobeeld zit, dat er via videobewerkingssoftware het beste kan worden uitgeknipt (of worden voorzien van een meer vloeiende overgang). Ook de timing is van belang. Foto’s maken tijdens het ‘ja-woord’ van een huwelijksceremonie is niet verstandig, want dat staat dat moment dus niet compleet op film. Het is in die gevallen altijd beter om de taken te verdelen. Overigens zijn er ook camera’s waarbij je zonder onderbreking kunt fotograferen tijdens het filmen.

Een fotocamera is natuurlijk ontworpen om foto’s mee te maken en niet om te filmen. Ze zijn daardoor niet altijd even handig in het gebruik als een camcorder. Gelukkig zijn er wel diverse accessoires te koop om dit vergemakkelijken.

Videogrip

Een fotocamera wordt anders vastgehouden dan een filmcamera. Met name wanneer je lang uit de hand filmt, kan dat vrij pijnlijk worden. Daarom komen er veel accessoires op de markt, waarmee je eenvoudiger kunt filmen. Bijvoorbeeld deze set van Zacuto (dat filmaccessoires maakt voor het professionele circuit, maar nu ook voor spiegelreflexcamera’s).

Dankzij een speciale grip voelt een fotocamera ineens als een videocamera .(beeld: Zacuto)

Statief

Een handig hulpmiddel tijdens het filmen is een statief. Daarmee is het beeld superstabiel en er is nog alle vrijheid om naar links en rechts (en zelfs naar boven en beneden) te bewegen. Een los verkrijgbare videolamp is erg handig als er binnen – of in de avondschemering – wordt gefilmd.

Externe lamp

Bij gebrek aan licht kun je tijdens het fotograferen altijd gebruikmaken van de (ingebouwde) flitser. Tijdens het filmen is dat echter niet mogelijk (uitgezonderd de nieuwe Canon 320EX). Gelukkig zijn er wel accessoires te koop die je op de flitsschoen van de camera kunt monteren. Deze zijn meestal oorspronkelijk ontworpen voor videocamera’s, maar passen ook op een universele flitsschoen. Ze zijn er zowel op basis van batterijen als met externe voeding.

Wanneer je tijdens het filmen last hebt van weinig licht kunt u een externe lamp gebruiken. Deze past op de flitsschoen.

Microfoon

Zoals eerder gesteld is de interne microfoon niet ideaal om geluid op te nemen. Wilt je het echt goed aanpakken dan kun je het beste een externe microfoon gebruiken. Bepaalde cameramodellen hebben een aansluiting voor een externe microfoon. Maar je kunt ook een losse microfoon kopen en het geluidsspoor later toevoegen aan de opname met behulp van videobewerkingssoftware.

Loep

Een loep is handig om nauwkeuriger te kunnen scherpstellen tijdens het filmen. De loep wordt op het lcd-scherm gemonteerd, waarna hij het scherm vergroot weergeeft. Dankzij de oogschelp heb je geen last meer van de omgeving en kun je je geheel concentreren op wat je door de lens ziet.