Spelen met scherptediepte

Scherptediepte

Scherptediepte staat voor het gedeelte in je foto dat scherp is. Een foto waarop alles van voor tot achter scherp is bevat veel scherptediepte en dat kan al snel saai of rommelig ogen. Beperkte scherptediepte, waarbij een deel scherp is en een deel onscherp, maakt een foto spannender om naar te kijken. Het onscherpe deel wordt ook wel ‘bokeh’ genoemd. Hoe kun je hiermee spelen? “Spelen met scherptediepte” verder lezen

Flitsen met radio triggers: waarom, waarvoor?

Wie een externe flitser gebruikt, kent de kracht van goed licht. Maar flitslicht vanaf het camerastandpunt is niet altijd even mooi. Zijlicht levert vaak een mooier resultaat, maar daarvoor is een draadloze flitser vereist. Gelukkig kun je al voor een paar tientjes een ‘radio trigger’ kopen, waarmee je je flitser draadloos kunt aansturen.

Zender en ontvanger

Een radio trigger is eenvoudig te gebruiken. Een set bestaat uit twee delen; een ontvanger en een zender. De zender wordt als een flitser bovenop de camera geplaatst. Hij heeft één contact, die een signaal van de camera krijgt wanneer er een foto wordt gemaakt (net zoals een reguliere flitser). Het andere deel is de ontvanger. Deze kan op een statief worden geplaatst door middel van schroefdraad of een flitsaansluiting (zodat hij ook past in de flitsstandaard die bij veel externe flitsers wordt meegeleverd). De externe flitser bevestig je op de ontvanger, via de flitsaansluiting. De ontvanger heeft soms ook nog een draadaansluiting voor een studioflitser, zodat je met één apparaat zowel een externe flitser als een studioflitser kunt aansturen. Dat laatste werkt ook erg prettig in de studio, omdat je dan dus niet meer aan een draad vastzit.

Temp-28330

Instellingen

De zender en ontvanger communiceren met elkaar via een radiosignaal. Dit signaal is per eenheid te configureren (meestal vier verschillende standen) zodat je eventueel meerdere triggers tegelijk kunt gebruiken en niet gehinderd wordt door anderen met hetzelfde apparaat. De afstand tussen zender en ontvanger mag maximaal 10 meter zijn. Het maakt niet uit of de flitser met de rug naar de camera staat omdat een radiosignaal gebruikt wordt (in plaats van infrarood, dat wel werkt op basis van zichtbaarheid).

Sluitertijd, diafragma en ISO

De radio triggers van een paar tientjes hebben slechts één flitscontact en werken dus met ieder cameramerk. De keerzijde is dat de camera en flitser onderling geen contact hebben en er dus ook geen informatie over de belichting kan worden uitgewisseld. Standaard zal de flitser dus iedere keer op volle kracht flitsen. Je kunt je camera daarom het beste in de M-stand zetten en een beetje spelen met de sluitertijd en diafragmawaarde. De juiste stand is afhankelijk van de flitskracht van je flitser, de lichtgevoeligheid van de camera (ISO) en de omgeving rondom het onderwerp. De iets duurdere klasse flitsers kun je ook de flitskracht bijstellen. Dit bespaart veel energie en is ideaal als je met een grote lensopening wilt werken (zoals F2.8). De instellingsmogelijkheden verschillen per merk en model (meestal van 1/1 tot 1/64e van de flitskracht).

E-TTL

Los van goedkope universele modellen bestaan er ook E-TTL filters. Deze communiceren rechtstreeks met de camera en het grote voordeel is dat je de flitskracht op afstand kunt instellen en kunt laten afhangen van de lichtmeting. Je kunt dan dus zowel volledig handmatig als automatisch werken. Dergelijke triggers zijn wel wat duurder, circa 50 tot 70 euro, en je hebt dan een type nodig dat specifiek geschikt is voor je cameramerk, zoals Canon of Nikon.

Infographic: witbalans

De term witbalans (zie basiskennis) is één van de meeste abstracte in de foto- en videowereld. Veel amateur fotografen en filmers begrijpen niet exact wat dit inhoud. Dat is lastig, want het verklaart waarom foto’s (en videos) soms een verkeerde kleur hebben – bijvoorbeeld te blauw (koel) of rood-oranje (warm). De onderstaande infographic maakt het fenomeen witbalans inzichtelijk door van rood naar blauw (en alles er tussenin) aan te geven waar het voor staat – en hoe het overeenkomt met het aantal graden Kelvin (waarin de witbalans meestal wordt uitgedrukt).

Iedere lichtbron heeft z’n eigen kleur. Kaarsen, een zonsondergang en een tl-buis stralen allemaal ander licht uit en de camera weet dat soms niet uit zichzelf te onderscheiden. Je kunt dan de witbalans handmatig instellen op een bepaalde witbalans. Ook kun je bij veel gevorderde camera’s handmatig een kleurtemperatuur in graden Kelvin instellen. In de infographic zie je hoe deze witbalans-standen overeenkomen met de kleur die een bepaald type licht uitstraalt.

Illustratie: Digitalcameraworld

Vuurwerk fotograferen? 12 tips!

Over enkele dagen is het zover, dan luiden we enthousiast 2014 in. Terwijl familieleden nog met de champagneglazen in de hand staan, gaan anderen in de weer met vuurwerk. Voor jou als fotograaf een leuke aanleiding om dat te fotograferen. Of je nu een compactcamera, systeemcamera of spiegelreflex hebt, hou je camera bij de hand en ga lekker fotograferen. Om je op weg te helpen, hebben we een aantal concrete tips voor je om de kans op geslaagde foto’s te vergroten.

Gebruik een statief

Ga niet uit de hand fotograferen, maar gebruik een statief. Als je uit de hand fotografeert is de kans op onscherpte en overbelichting zeer groot. Onderbelichting levert een zeer donkere foto op die niet bruikbaar is. Een goed belichte foto zal vanwege de lange sluitertijd zeer waarschijnlijk onscherp zijn vanwege bewegingsonscherpte. Met de meeste camera’s kun je niet goed uit de hand fotograferen in het donker. Tenzij je een hoge lichtgevoeligheid (ISO) kiest in combinatie met een snelle sluitertijd. Maar dat heeft niet echt de voorkeur, omdat voor het uiteenspattende siervuurwerk een lange sluitertijd het mooist is. En daarvoor heb je echt een statief nodig.

Vuurwerk

Vermijd de automatische stand

Ben je van plan de automatische stand van je camera te gebruiken? Niet doen! De camera zal dan gaan flitsen en dat heeft geen effect, want het vuurwerk geeft zelf al licht. Bovendien zal de camera door de flits kiezen voor een korte slutiertijd, waarbij je alleen het allerfelste vuurwerk zult terugzien en de rest zwart is. Je kunt je camera het beste in de P-, M- of BULB-stand zetten. De laatste twee standen hebben de voorkeur, maar dan moet je camera daar natuurlijk wel over beschikken.

Scheveningen Fireworks Festival

Zet de flitser uit

Gebruik nooit een flits als je vuurwerk wilt fotograferen. Zoals uitgelegd bij tip 2 heeft dat geen enkele zin. Zet de flitser op je camera dus uit. Dit is vooral van belang als je camera geen P-, M- of BULB-stand heeft. Als de flits uit staat, zal de camera automatisch kiezen voor een lange sluitertijd.

Kies een lange sluitertijd

Een mooie vuurwerkscene duurt enkele seconden. Een normale sluitertijd is vaak te kort, mede omdat het lastig is om te bepalen wanneer een vuurwerkexplosie het mooist is. Juist de beweging van siervuurwerk is mooi om terug te zien en dat kun je alleen vastleggen met een lange sluitertijd. Een sluitertijd van een seconde of drie is een mooi uitgangspunt. Langer kan ook; je krijgt dan meerdere vuurwerkexplosies in één foto te zien. Zie ook het basiskennis-artikel over sluitertijd.

Vuurwerk

Perfecte timing met de BULB-stand

Het lastige van vuurwerk is dat je nooit precies weet waar en wanneer een explosie van siervuurwerk zich voordoet (en hoe lang dit duurt). Maar de BULB-stand is de perfectie oplossing. Je start de opname en wacht tot het juiste moment. Wanneer er een mooie vuurpijl te zien was, stop je de opname. Dit kun je het beste doen met een afstandsbediening, zodat je de knop van de camera niet continu hoeft in te drukken. Heeft jouw camera geen BULB-stand, dan is er nog een alternatieve methode: dek de lens af met de lensdop of een stuk zwart papier tussen twee vuurpijlen door. Zo voorkom je overbelichting en registreert de camera alleen de juiste momenten.

Vuurwerk

Speel met de diafragmawaarde

Vuurwerk geeft behoorlijk wat licht af, dus je hoeft niet voor de volle lensopening te kiezen (zoals f/2.8 of 3.5). Sterker nog, kies liever een kleinere lensopening (oftewel grotere diafragmawaarde), zoals f/8 tot f/11 De camera zal dan vooral het felle vuurwerk registreren en minder andere lichtbronnen (zoals straatverlichting). Bovendien zorgt de kleinere lensopening voor meer scherptediepte, zodat zowel vuurwerk dichtbij en veraf scherp op de foto komt. Zie ook het artikel over diafragma.

Gebruik een afstandsbediening

Gebruik indien mogelijk een afstandsbediening. Het indrukken van de ontspanknop van de camera (waarmee de opname gestart wordt) leidt tot een beetje beweging en trillingen en dit kan in de opname te zien zijn (bewegingsonscherpte). Wanneer je een afstandsbediening gebruikt heb je hier geen last meer van. Bovendien kun je de afstandsbediening in de voering van je jas bedienen, zodat je het niet koud krijgt. Er bestaan ook draadloze afstandsbedieningen waarmee je je camera op afstand kunt bedienen. Dan kun je je camera eventueel zelfs vanuit huis bedienen.

Fireworks - Beginning

Kies een lage ISO-waarde

Zoals gesteld bij tip 6 geeft vuurwerk behoorlijk wat licht. Het is daarom een misverstand dat je je camera op een hoge lichtgevoeligheid (zoals ISO 1600) moet instellen omdat het donker is. Zeker als je een lange sluitertijd gebruikt, kan de camera prima uit de voeten met ISO 100 of 200. Gebruik alleen een hogere waarde als je de omgeving ook goed wilt belichten of bijvoorbeeld geen statief gebruikt. Zie ook het artikel over de ISO-stand.

Daily Disney (Explored)

Scherpstellen

Scherpstellen kan een probleem zijn in het donker, vooral bij camera’s die op dit vlak wat trager zijn. Stel in dat geval scherp op een licht punt (nabij het vuurwerk) en zet de camera daarna op handmatige scherpstelling. Bij spiegelreflexcamera’s kun je dit op de lens instellen (MF in plaats van AF). Bij compactcamera’s moet je hiervoor het menu induiken.

Kies een mooi standpunt

Een goed standpunt is essentieel. Direct bij de voordeur fotograferen is waarschijnlijk niet zo mooi, omdat je dan ook grote delen van de straat op de foto krijgt. Het mooiste schouwspel speelt zich af in de lucht, dus kies een locatie waar je goed zicht hebt op de lucht. Wat ook meespeelt is de mate van activiteit en het gebruikte vuurwerk. Waarschijnlijk kun je je dit van vorig jaar nog wel herinneren, maar indien niet, kan dan kort na middernacht waar het mooiste vuurwerk te zien is. Dan kan ook een buurt verderop zijn. Misschien is er in jouw stad of dorp ook wel een speciale locatie waar siervuurwerk wordt afgestoken. Het fotograferen van de lucht ligt voor de hand, maar ook de combinatie met een object (zoals een gebouw) kan mooi zijn. Het type lens dat je het beste kunt gebruiken is mede afhankelijk van het standpunt (dichtbij of ver af).

Macy's 4th of July fireworks 2010, New York City

Ga vroeg op pad

Naarmate de nacht vordert zal er steeds meer rook blijven hangen. Dat komt zowel door sier- maar ook door knalvuurwerk. Die rook is terug te zien in foto’s en zorgt voor een mistige waas. Wacht dus niet te lang met het fotograferen, maar ga er kort na middernacht op uit.

Internationaal Vuurwerkfestival Scheveningen 2008

Wees voorzichtig

Ieder jaar vallen er weer vuurwerkslachtoffers, zowel onder afstekers als omstanders. Ook goedgekeurd siervuurwerk kan omvallen en de verkeerde kans op schieten (en ontploffen). Als je geen vinger(s) of oog wilt missen, wees dan voorzichtig. Kies een veilige locatie, blijf alert en gebruik een vuurwerkbril. Ga zeker niet zelf vuurwerk afsteken én fotograferen tegelijk. En fotograferen, vuurwerk afsteken en alcohol is ook geen goede mix voor geslaagde foto’s.

Daily Disney (Explored)

Wil je meer fraaie vuurwerkfoto’s zien ter inspiratie, bekijk dan dit overzicht met 25 vuurwerkfoto’s. Op de site staat ook een video met praktische tips voor vuurwerkfotografie, altijd leuk om die nog eens te bekijken.  En heb jij nog andere tips die we hier niet genoemd hebben? Of vragen? Of praktijkervaring die je wilt delen? Laat wat van je horen in het reactieveld!

High Dynamic Range-fotografie (HDR) in de praktijk

Iedereen kent het wel. Lastige lichtsituaties waarbij het simpelweg onmogelijk is om de donkere als lichte onderdelen goed te fotograferen. Het is kiezen of delen: overbelichten of onderbelichten en vervolgens een reddingspoging met Photoshop. Maar er is ook een alternatief: HDR. Zowel softwarematig achter, of bij sommige camera’s zelfs als optie in de camera vooraf. Maar hoe werkt HDR en Tone Mapping en hoe maak je er optimaal gebruik van?

Een situatie met groot contrast bevat onder- en overbelichte delen. Door meerdere belichtingen te maken en deze samen te voegen (HDR) ontstaat een veel beter belichte foto. Ga met de muisaanwijzer op de foto staan om het verschil te zien.

Voorbeeld

Stel je eens voor: je staat voor een kasteelruïne die je wilt fotograferen. Deze staat aan de rand van een afgrond, dus je kunt er niet omheen lopen. Binnenin is het donker, buiten schijnt de felle zon. Hoe krijg je de fraaie structuur van de kasteelmuur in beeld en tegelijkertijd de witte wolken en blauwe lucht? Dat is praktisch onmogelijk omdat het contrast te groot is. De lucht is fel, het kasteel donker. Je oog is redelijk in staat om details in donkere en lichte delen te zien, maar je camera kan dat niet. Een foto met standaardbelichting, bijvoorbeeld in de automatische stand, levert een contrastloos plaatje op: schaduwen zijn zwart, de lucht is wit. Als je overbelicht, wordt de structuur van het kasteel goed zichtbaar, maar wordt de buitenlucht een felle gloed. Als je onderbelicht, worden de witte wolken en blauwe lucht goed zichtbaar, maar wordt het kasteel simpelweg zwart. Hoe kan dit?

Het verschil tussen het mensenlijk en camera’s (afbeelding: Ricoh)

De oorzaak ligt in het feit dat een camerasensor, evenals het menselijk oog, een beperkt contrastverschil kan waarnemen. In situaties waar het ofwel heel erg donker of erg licht is, moet er gekozen worden. In het donker worden onze pupillen groter, waardoor we beter kunnen zien. Maar fel licht doet dan wel pijn aan onze ogen. De sensor van een digitale camera heeft hetzelfde probleem. In technische terminologie heet dit het dynamisch bereik en komt neer op hoeveelheid kleurgradaties die waargenomen kunnen worden tussen pikzwart en helderwit. Een camera ziet minder gradaties dan een mens, waardoor schaduwen al snel zwart worden in plaats van donkergrijs en fel licht wit. Onder normale lichtomstandigheden doet dit zich niet voor, maar wanneer er sprake is van een groot contrast met donkere schaduwen en felle hooglichten wordt het kritiek. Het probleem is dat een camera een overbelicht deel van een foto als witte pixels opslaat (en een onderbelicht deel als zwarte), omdat hij de verschillende lichtwaarden niet kan onderscheiden. Hierdoor gaat er dus beeldinformatie voorgoed verloren. Het dynamisch bereik van een camera wordt uitgedrukt in stops. Een gemiddelde camera heeft een bereik van 5 tot 8 stops, zeg maar een contrastratio van 128:1. Een spiegelreflexcamera heeft veel een grotere sensor en doordoor meer dynamisch bereik. Een professionele camera met fullframe-sensor biedt gemiddeld circa 11 stops dynamisch bereik (een contrastratio van 2048:1). Niet slecht als je bedenkt dat de lcd-monitoren waar we op werken gemiddeld een dynamisch bereik hebben van iets minder dan 10 stops (700:1). Ter vergelijking: het menselijk oog heeft een dynamisch bereik van circa 14 stops, wat neerkomt op een contrastratio van 11.000:1. Maar omdat deze goed in staat is zich aan te passen aan de omgeving (b.v. zeer licht of zeer donker) kunnen we ook wel spreken van 1.000.000:1 (24 stops). Dat is een wereld van verschil met camera’s.

Het toepassen van HDR, zij het via beeldbewerking of op de camera leidt meestal tot een flinke toename van het contrast. Ga met de muisaanwijzer op de foto staan om het verschil te zien.

Bracketing

Het menselijk oog heeft dus een beduidend beter dynamisch bereik dan een camera en het is bovendien in staat om zich aan te passen. Maar gelukkig zijn er wel trucs om het dynamisch bereik van camera’s te verbeteren. Een situatie met fel licht en donkere schaduwen laat zich weliswaar niet in één foto vangen, maar wel in meerdere. Je kunt dan een belichtingstrapje maken met verschillende sluitertijden. Dit stel je op je camera in via de optie bracketing, maar het kan eventueel ook handmatig. Je begint met een lange sluitertijd waarbij de donkere schaduwen goed belicht wordt en gaat door tot een korte sluitertijd waarbij de details van de hooglichten goed vastgelegd worden. Dit zijn minimaal drie verschillende opnamen (onderbelicht, neutraal, overbelicht), maar afhankelijk van de lichtsituatie kan het aantal oplopen tot 10 of meer. Voorbeeld: je maakt drie foto’s, waarvan één standaard belicht, één -2 stops onderbelicht en één +2 stops overbelicht (-2 EV, 0 EV, +2 EV). Uiteraard is een statief hiervoor een aanrader, omdat de compositie anders teveel van elkaar afwijkt (waardoor samenvoeging bemoeilijkt wordt). We hebben dan alle details van de omgeving vastgelegd, zij het niet in één opname. Maar via fotobewerkingssoftware zouden de foto’s kunnen worden samengevoegd. Nu kan dat ingewikkeld, via meerdere transparante lagen, maar ook relatief eenvoudig. Een tip is om te foto’s (indien mogelijk) op te slaan in het raw-formaat. Dit formaat bewaart beduidend meer kleurinformatie dan jpeg en bevat dus een veel hoger dynamisch bereik.

Door drie foto’s met verschillende belichtingen te maken en deze samen te voegen wordt het dynamisch bereik kunstmatig vergroot. (afbeelding: Ricoh)

De term ‘HDR’ staat voor High Dynamic Range (oftewel een hoog dynamisch bereik). Je kunt een HDR-foto maken door meerdere foto’s met verschillende belichtingstijden samen te voegen tot één HDR-bestand. Alle kleurinformatie van alle opnamen blijft in dit bestandsformaat behouden, waardoor het dynamisch bereik van je camera dus enorm toeneemt. Het is een bestandsformaat dat kleurinformatie in 32-bits opslaan in plaats van de gebruikelijke 8-bits van jpeg en 16-bits van tiff. Hierdoor kan een veel groter kleurbereik kan worden vastgelegd dan met een jpeg of  tiff. Het probleem is echter dat er vrijwel geen hardware (en slechts een beperkt aantal softwaretitels) om kan gaan met HDR-bestanden. Daarnaast zijn er eigenlijk nog geen monitoren die een dergelijke hoeveelheid kleurinformatie kan weergeven. Een gemiddelde lcd-monitor geeft 8 tot 10 bits kleurinformatie weer, dus alles daarboven is zo goed als onzichtbaar. Wanneer je een 32-bits HDR-bestand opent met geschikte software, zul je een vreemd belicht plaatje te zien krijgen omdat je monitor het simpelweg niet goed kan weergeven. In een apart venster, dat een klein deel van het beeld terugberekend naar 16-bits, kun je de verschillende lichtnuances zien wanneer je er met de muis over beweegt. Er bestaan wel een paar professionele HDR-monitoren, maar die hebben een prijskaartje van circa € 45.000. Zoals de BrightSide DP37-P, die een constrastratio heeft van 200.000:1 en een helderheid van 3000 cd/m2. Dat is tien tot twintig keer zo helder en contrastrijk is als een normale monitor. Ze worden dan ook uitsluitend gebruikt door filmmakers en enkele professionele studiofotografen.

Een 32-bits HDR-foto is niet goed zichtbaar op een standaardmonitor, omdat deze niet alle kleurnuances kan weergeven. De beeldinformatie is er echter wel (zie het hoofd van het standbeeld linksboven).

Tone Mapping

Leuk, zo’n HDR-foto, maar wat heb je er aan als je de kleuren niet correct kunnen worden weergegeven door je monitor? Je kunt de kleurinformatie natuurlijk weer terugbrengen naar 16-bits en de foto vervolgens opslaan als een tiff-bestand (of jpeg, maar dan met 8-bits). Om gebruik te maken van de enorme hoeveelheid details en kleurinformatie van het 32-bits bestand, kun je de kleuren kunstmatig samenvoegen met behulp van een functie genaamd ‘tone mapping’. Deze comprimeert het aantal kleuren, maar dan met zo veel mogelijk behoud van details in schaduwpartijen en hooglichten. Helemaal nieuw is dat niet: een soortgelijke methode werd vroeger ook al in kranten toegepast omdat contrastrijke kleurenfoto’s in zwart-wit-druk niet echt uit de verf kwamen. Om een HDR-foto om te zetten via tone mapping heb je speciale software nodig, zoals Photoshop, Photomatix of Picturenaut. Met dezelfde software kun je je overigens ook foto’s samenvoegen tot een HDR-opname. Omdat er geprobeerd wordt zoveel mogelijk kleurinformatie en lichte en donkere details in de foto te behouden, is het gevolg wel dat het resultaat wat kunstmatig kan overkomen. Veel amateurfotografen vinden dit resultaat juist erg kunstzinnig, bijzonder en mooi om te zien. Maar de meningen zijn verdeeld, want soms is de bewerking echt te veel van het goede omdat kleuren volstrekt onrealistisch worden. Dat verlegd de focus van de foto naar de bewerking zelf, in plaats van het onderwerp en de compositie. Een HDR- en tone mapping-bewerking loslaten op je foto’s is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om details zichbaar te maken met als leuke bijkomstigheid dat de kleuren versterkt worden.

HDR-stand op camera’s

Overigens beginnen cameramakers ook steeds meer in te spelen om deze trend. Veel (compact)camera’s bevatten een speciale stand, waarbij details in fel licht veel beter worden opgenomen. Dit kost wel meer verwerkingstijd en kan de mogelijke ISO-standen wat beperken. In feite is dit een kunstmatige methode, waarbij feitelijk iets wordt onderbelicht, waarna de schaduwpartijen softwarematig worden verhelderd en de hooglichten intact blijven. Dezelfde methode kan worden toegepast op schaduwen. Oneerbiedig gezegd is het een soort ‘schaduw en hooglichten’-bewerking die we ook kennen van Photoshop. Maar er zijn ook een camera’s die zelf meerdere opnamen met verschillende sluitertijden maken en daar zelf een samengesteld beeld van produceren. Dat heeft een beter effect.

Er is verschillende software in omloop waarmee je meerdere foto’ kunt samenvoegen tot een HDR-bestand en vervolgens weer kunt omzetten via Tone Mapping. De meest toonaangevende software is Adobe Photoshop CS6, waar HDR nu volledig ondersteund wordt, en het pakket Photomatix van HDRsoft. Het laatst genoemde pakket was één van de eerste titels die een complete oplossing bood voor HDR-fotografie en is dan ook razend populair. Maar zowel Photomatix als Photoshop zijn betaalde pakketten. Er zijn ook gratis alternatieven, al moet je daarvoor goed zoeken. Op internet worden tientallen HDR-pakketten onder de noemer ‘free’ aangeboden, waarvan een groot deel in de praktijk toch betaald zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om testversies die slechts 30 dagen functioneren, of software die weliswaar volledig functioneel is maar steeds een watermerk toevoegd (wat natuurlijk niet wenselijk is). Een goed gratis pakket is Picturenaut 3.

In dit artikel gebruiken we Photomatix als voorbeeld

Een overzicht:

HDR uit één foto

Soms zien we pas achteraf dat een bepaalde scene wat betreft belichting niet goed uit de verf komt. Of is het niet mogelijk om een reeks foto’s te maken vanwege bijvoorbeeld een bewegend onderwerp of het gebrek aan een statief. Geen nood. Als je in het raw-formaat fotografeert kun je daar ook een HDR-bestand uit persen. Een raw-foto bevat onbewerkte beeldinformatie rechtstreeks vanaf de sensor, dat zonder schadelijke compressie en met maximaal kleurdetail wordt opgeslagen. Het dynamisch bereik van een raw-foto is vele malen groten dan die van een jpeg-versie. Daardoor is een raw-foto ook zo  goed te corrigeren in beeldbewerkingssoftware. In het raw-formaat is een overbelichte lucht is bijvoorbeeld niet 100% wit, maar bevat meer tussenliggende kleuren. Met behulp van HDR software kun je alle aanwezige details – zowel in de extreem lichte als donkere delen – uit uw foto persen. Het gaat dan niet om een echt HDR-bestand, omdat de totale kleurinformatie slechts 16-bits is, maar je kunt toch tone mapping gebruiken om de foto te bewerken. Het gevolg is dat uw foto wint aan details in donkere en lichte delen, evenals contrast en kleurverzadiging. Een echte HDR-foto op basis van meerdere belichtingen is nogal altijd beter, maar het is beter dan niets.

Hieronder het complete stappenplan voor het maken van HDR-foto’s.

FASE 1: foto’s maken

Kom je een situatie tegen met lastig licht, zoals donkere schaduwpartijen en fel licht tegelijkertijd, dan is dat een ideaal uitgangspunt voor HDR. Het maken van HDR-foto’s is vooral voor architectuur van toegevoegde waarde. Voor personen is het niet wenselijk, omdat mensen er onnatuurlijk uit gaan zien.

Tips:

  • Gebruik bij voorkeur een statief
  • Maak minimaal drie foto’s (via de bracketingoptie)
  • Gebruik (indien mogelijk) het raw-formaat in plaats van jpeg

FASE 2: Samenvoegen tot één HDR-bestand

Eenmaal thuis opent u uw HDR software en selecteer je de reeks foto’s die je wilt omzetten. Om het overzicht te bewaren, is het aan te raden om de foto’s die je wilt omzetten in een aparte map te plaatsen. Soms biedt biedt de (betaalde) software geavanceerde opties die je veel werk kunnen besparen. Zoals de optie om foto’s op elkaar aan te laten sluiten (wanneer je geen statief hebt gebruikt), het reduceren van kleurschifting en ruis en het wegpoetsen van ghosting (een bewegend onderwerp dat op verschillende posities staat in de fotoreeks). Daarna begint het wachten, want het samenvoegen neemt enige tijd in beslag. Een snelle computer is een pré en ook een 64-bits besturingssysteem en dito software werkt vlotter.

FASE 3: Omzetten via Tone Mapping

In de laatste fase wordt kleurinformatie uit de HDR-foto gecomprimeert naar een 8- of 16-bits bestand, dat zichtbaar is op onze monitoren. In de meeste software kun je voor het omzetten verschillende prioriteiten aangeven, die het resultaat sterk kunnen beïnvloeden. Er is dus niet één mogelijkheid, maar een groot scala variabelen. Je kunt bijvoorbeeld de sterkte van het effect bepalen, evenals de helderheid, het microcontrast en de kleurverzadiging. Ook de overgangen van licht naar donker kun je beïnvloeden (via smoothing). Je hoeft dus niet af te wachten welk resultaat er uiteindelijk uitrolt, maar hebt hier grote invloed op.

Tips:

  • Overdrijf niet. De foto wordt dan zo surrealistisch dat alle nadruk naar het effect gaat en niet meer naar de foto zelf.
  • Let op ruis. Het samenvoegen van beelden en het comprimeren van kleuren werkt ruis in de hand.
  • Let op onrealistische kleurverschillen. Sommige zaken, zoals sneeuw of een witte lucht, horen zo te blijven als ze zijn. Een foto waarin sneeuw grijs wordt, is niet erg realistisch meer.

FASE 4: Beeldbewerking

Het eindresultaat kun je openen in je favoriete fotobewerkingsprogramma en dan nog wat verfijnen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat er veel ruis is, wat je kunt reduceren. Soms is het ook mooi om het constrast nog wat te verhogen, de kleurverzadiging te verminderen of –meerderen en de wat helderheid bij te stellen.

Hieronder staat een aardige selectie foto’s met en zonder HDR. Als je niets doet, zie je de normale foto. Ga je met de muispijl op een foto staan, dan zie je de HDR versie van dezelfde foto. De eerste foto is bijvoorbeeld een mislukt exemplaar van George Washington bij Wall Street (New York City), maar dankzij HDR viel er nog behoorlijk wat te redden (let wel: het gaat hier om RAW-foto’s).

Het origineel is overbelicht, maar na bewerking met Photomatix is het resultaat een stuk beter.

HDR toepassen op een waterval kan, maar of het mooi is…? Het effect is wel aardig, maar grijze sneeuw? Ugh…

Even wat schaduwpartijen wegwerken

Een donkere voorgrond en een felle achtergrond, de nachtmerrie van iedere fotograaf. De HDR-versie toont beide delen. (Shanghai)

Door het licht op de achtergrond is de voorgrond onderbelicht. Maar Photomatix weet er nog flink wat detail uit te slepen, hoewel het wel erg surrealistisch wordt.

Het origineel is erg flets, mede door het tegenlicht van de zon. De HDR versie is een stuk beter.

Jouw HDR’s?

Heb jij ook HDR foto’s? Of ken je andere voorbeelden? Of gebruik je een afwijkende techniek (zoals schaduw en hooglichten)? Laat het ons weten in het reactieveld en/of stuur ze in naar onze Flickr-groep.

Handleiding ‘Party fotografie’

In de clubs varieert het licht vaak enorm. En ook nog eens heel frequent. Het ene moment is er haast geen omgevingslicht, en het volgende moment straalt het vele licht daar je tegemoet. Het is daarom verstandig om bij het begin te kijken hoe het licht is opgesteld op de locatie waar je fotografeert. Persoonlijk vind ik de foto’s met veel kleur en achtergrondlicht in de foto’s het mooiste. Je ziet ook wel foto’s die gemaakt zijn op “standje auto”, vaak door beginnende fotografen. De geportretteerde is dan vaak prima belicht, maar de omgeving is inktzwart. Probeer dat te vermijden. Je bent tenslotte partyfotograaf. Zorg dan ook dat je werk er strak (zo scherp mogelijk) en kleurrijk uitziet. Dat waarderen de meeste bezoekers en komt de waardering voor jouw werk zeker ten goede. Size Matters Worldtour 2011_0078

Size Matters Worldtour

Het is dus belangrijk om de mensen goed neer te zetten. Met hun rug naar stage of een leuke, (liefst goed belichte) achtergrond toe. Dat lukt op een volle dansvloer natuurlijk lang niet altijd, maar aan de randen waar het vaak minder druk is kun je dat zeker proberen. Dat geldt ook voor shoots tijdens de zomer (overdag) op feesten en festivals. Draai de geportretteerde in de juiste positie, naar een boeiende, mooie achtergrond toe. Daar waar mogelijk. Waar het voor een belangrijk deel op neer komt bij dit werk is dat je op het juiste moment afdrukt, onder de beste lichtomstandigheden. Kies het juiste moment van afdrukken. Let op het moment van afdrukken.

Fusion of Dance - Indoor_0027

Je fotografeert vast wel eens op feestjes. Dat kan bij iemand thuis zijn, maar ook in een café of een club. Als je dan foto’s wilt maken, dan loop je al snel tegen problemen aan. Op feestjes is het vaak donker, wat de kans op ‘bewogen’ (lees: onscherpe) foto’s vergroot. Daardoor moet je al snel de hulp inroepen van een (externe) flitser. Maar ook de automatische stand voldoet eigenlijk niet. Los van al het technische geneuzel moet je als partyfotograaf over meer vaardigheden beschikken. Hoe ga je om met het publiek dat je op de foto wilt zetten? En voorkom je dat je camera-apparatuur aan het eind van een feest onder het bier zit. Een ervaren rot in het vak, Korsjan Punt, heeft als gastauteur een bundel tips en trucs opgeschreven.

Even voorstellen

Mijn naam is Korsjan Punt, ik ben 44 jaar en woon in Alphen aan den Rijn. Ik ben hoofdzakelijk werkzaam in de media (auteur en fotograaf). Ik ben 5 jaar geleden toevallig in deze tak van fotografie gerold en in die 5 jaar heb ik ongeveer 350 feesten en festivals bezocht. Ik had destijds bij het begin geen idee wat het werk inhield en had heel weinig ervaring met spiegelreflexfotografie. Wat ik wel snel in de gaten had is dat er een paar voorwaarden zijn om dit werk goed te kunnen doen. En die voorwaarden liggen op het persoonlijke vlak en hebben met de apparatuur te maken die je het beste kunt gebruiken.

Size Matters Worldtour 2011_0087

Laat je niet gek maken

Voor wat betreft de persoonlijke eigenschappen is het fijn als je over goede sociale eigenschappen beschikt. Daarnaast is het fijn als je onder moeilijke en soms hectische omstandigheden altijd cool en rustig blijft. Laat je niet gek maken door de vele verzoeken voor een foto en het getrek aan je shirt en het voortdurende getik op je schouder. Ook is het handig als je mensen op hun gemak kunt stellen, en hen kunt overhalen om een leuke foto te scoren op het moment dat ze uitgaan. Vaak is dat niet zo moeilijk. De meeste mensen zijn over het algemeen in een goede stemming wanneer ze in het weekend uitgaan. Daarnaast is het handig wanneer je over een goede conditie beschikt. Het meeste van het werk gebeurt op tijden dat veel mensen slapen. In de nacht dus. Het zomerseizoen, met de festivals is over het algemeen best goed te doen. De meeste festivals zijn om uiterlijk 24.00 uur afgelopen. Dan kun je op een “normale” tijd weer thuis zijn. Buiten het zomerseizoen zijn de werktijden vaan tussen 23.00 uur en 05.00 uur. Wanneer je dan ieder weekend op stap zou zijn, is dat best zwaar om vol te houden. Maar de keerzijde is dat het werk veel leuke momenten oplevert en dat je ook veel energie terugkrijgt tijdens de bezigheden. Ik bezoek vooral trance, house en techno feesten. Die muziekstijlen spreken mij het meeste aan. Maar er zijn natuurlijk veel meer muziekstromingen waar leuke feesten gegeven worden en een fotograaf van meerwaarde kan zijn voor de bezoekers en de organisatie van het feest. Bedenk wel, na het doen van een shoot ben je nog niet klaar. Daarna, weer thuis is er het werk van fotobewerking op de computer. Vaak de dag na het evenement. Ik heb met mijn opdrachtgever afgesproken dat de set daags na het evenement wordt aangeleverd. Maar dat is voor mij geen probleem, want fotobewerking is leuk om te doen vind ik.

Size Matters Worldtour 2011_0090

Voor wat betreft de basisuitrusting die noodzakelijk is om dit werk te kunnen doen, is een minimale vereiste een spiegelreflexcamera met een externe flitser. En omdat je voor een belangrijk deel in een donkere omgeving werkt komt een lichtsterke lens erg goed van pas. Je kunt natuurlijk beginnen met een kitlens die vaak bij de camera wordt geleverd. Zo ben ik ook begonnen. Maar op een gegeven moment loont het om te investeren in goed glas. Dus een lens met een f-getal van 2.8 of nog lager. Dat zijn best forse uitgaven. Zeker wanneer je bedenkt dat (beginnende) fotografen in de meeste gevallen weinig tot niets betaald krijgen voor hun werk.  Ik zelf werk met drie Nikon DSLR’s: Nikon D50/D80/D3000.

Een spiegelreflexcamera met externe flitser is de minimale vereiste

Ja.. de toegang tot de evenementen, die is wel geregeld. Maar ik betaal mijn eigen reiskosten en voedsel en drinken. Je moet dus wel een beetje verslaafd zijn aan dit werk om het zolang te blijven doen. Maar het is boeiend. En het belangrijkste voor mij is denk ik, je leert goed allround fotograferen onder de meest uiteenlopende omstandigheden. Overdag met goed licht en ’s nachts binnen met weinig en vaak erg fluctuerend licht. En daarnaast vind ik het contact met bezoekers, artiesten en organisatie van een evenement erg leuk en boeiend. Maar wanneer je over een (instap) spiegelreflex beschikt + (kit)lens en een externe flitser dan heb je in principe de apparatuur in huis om aan de slag te kunnen. Wanneer je dan ook nog over de juiste persoonlijkheid beschikt dan kun je met deze vorm van fotografie aan de slag. Hoe geslaagd je foto’s worden hangt voor een belangrijk deel van jezelf, de fotograaf af. En hoe langer je bezig bent, hoe meer ervaring je opdoet, hoe beter je kan inschatten welke camera instellingen je moet gebruiken voor een leuke foto. De compositie van de foto is toch vooral afhankelijk van je eigen inzicht en creativiteit.

Beattime - Kika Edition 24-05-2010_0022

Compactcamera om mee te beginnen?

Natuurlijk kun je ook een compact camera gebruiken. Overdag op festivals, bij goede lichtcondities presteert die prima. Maar binnen, in een donkere omgeving is het een heel ander verhaal. Daar kun je met een compact eigenlijk niet de foto’s maken die je wilt. Om voldoende omgevingslicht in je foto te vangen moet je de gevoeligheid (ISO) zodanig hoog instellen dat het ruisniveau vaak erg storend wordt. Bedenk ook dat je als bezoeker van een evenement/feest vaak alleen een compact camera mee mag nemen. Semi professionele apparatuur (spiegelreflex camera) kun je vaak alleen meenemen als je over een officiële accreditatie beschikt. Jezelf aansluiten bij een van de vele partysites is dan ook noodzakelijk om een dergelijke camera mee te brengen. Je moet al een erg goede fotograaf zijn om zelfstandig je accreditaties te verzorgen. En als je dat al bent, dan ken je alle ins en outs in deze wereld zeker al. Ik zelf neem naar de grotere evenementen en festivals vaak twee camera’s mee. Een Nikon D80 met een Tamron 17 – 50 mm f 2.8 lens + SB600 flitser en een Nikon D3000 + AFS Nikon 18 – 55 mm f 3.5 – 5.6 + AFS Nikon 55 – 200 mm f 4 – 5.6 + Sunpak PZ42X. De Nikon D3000 ondersteunt alleen AFS lenzen als je gebruik wilt maken van autofocus. Als back-up heb ik een Nikon D50 achter de hand. Voor het geval er een camera technische problemen heeft en gerepareerd moet worden. Ook neem ik voldoende geheugenkaarten mee voor een shoot. Vaak drie keer 4 GB. Dat is per camera (Nikon D80/D3000) voldoende voor > 500 foto’s in de hoogste resolutie. En die worden dan geschoten in jpg. Wanneer je in raw wenst te fotograferen dan is het aantal maximaal 200 per 4 GB geheugenkaart. Voor mij volstaat het schieten in jpg. Het nabewerken op de computer van de foto’s gaat een stuk sneller dan in raw op mijn oudere machines.

Het voorbereidende werk

Voordat je op pad gaat, draag zorg voor een extra accu, geheugenkaart + extra (oplaadbare) AA batterijen voor de flitser. Een tweede accu is erg handig, zeker op festivals en shoots die langer duren. Op mijn Nikon D80 gebruik ik een MB D80 grip. Dat biedt een aantal voordelen. Allereerst zul je snel merken dat je de camera stabieler kunt vasthouden. Ten tweede kan ik een extra accu plaatsen. Het derde voordeel is dat ik ook verticaal een ontspanknop ter beschikking heb. Wanneer je daaraan gewend bent, dan is het eenvoudiger om af te drukken en hoef je je handen/armen niet in allerlei bochten te wringen voor een goede afdruk. Vergeet ook zeker niet om voldoende visitekaartjes van de organisatie/partysite waarvoor je werkt mee te nemen om uit te kunnen delen tijdens de shoot. Zorg dat je accu’s volledig zijn opgeladen. Je wilt niet dat tijdens een shoot je accu(s) opeens leeg zijn.

Zomerspektakel aan het Meer_0051

Let zeker op de volgende zaken. Blijf altijd netjes en correct naar de geportretteerde. Wensen zij geen foto? Jammer dan. Je merkt snel genoeg, of de geportretteerde een foto wenst, ja of nee. Tik de mensen bijvoorbeeld vriendelijk op de schouder en vraag of ze een leuk aandenken in de vorm van een foto aan het feest wensen bijvoorbeeld. Dat werkt bijna altijd vanzelf. Het komt natuurlijk ook voor dat mensen je vanzelf aanschieten voor een foto. Zorg voor voldoende afwisseling in je shoot. Een goede mix van de locatie, portretten, overzichten van de dansvloer, lasers, detail opnamen en DJ’s levert een gevarieerde, interessante shoot op voor de bezoeker, DJ/artiest, partysite en de organisatie.

Super Sunday X-Mas Bash_0034

Heel belangrijk om rekening meet te houden is om DJ’s en andere mensen die direct betrokken zijn bij het feest niet te storen bij hun werk. Jij bent gast op dat moment en hebt het voorrecht uitgenodigd te zijn. Dat is soms best lastig. Want als fotograaf ben je voortdurend op zoek naar het beste, unieke plaatje. De kunst is om in weinig tijd, zeker wanneer je onstage actief bent toch een mooie foto te kunnen maken. Maar foto’s kunnen nu eenmaal mislukken en dan heb je pech. Maar blijf zeker niet on stage hangen. Dat leidt de artiesten waar het op een feest om draait alleen maar af. Zorg daarom dat je de instellingen van de camera vooraf goed hebt ingesteld voor die paar specifieke momenten onstage. Een gemiddelde shoot op een feest van een beetje omvang bedraagt al snel minimaal 200 foto’s. Maar varieert toch zeker wel tussen de 150 en 300 foto’s. Op de grotere festivals kan het aantal foto’s snel > 400 bedragen.

Soenda Indoor_0076

De belangrijkste zaken waar je rekening mee moet houden zijn: 1. Compositie, 2. Belichting en 3. Camera-instellingen. Vooral wanneer je begint aan dit werk en fotografie in het algemeen, zeker in het eerste half jaar is mijn ervaring dat je nog minder geneigd bent naar de compositie te kijken. Maar veel meer kijkt naar hoe goed is de foto technisch. Is de foto scherp genoeg en zijn de kleuren ok? Maar alle zaken, dus zowel compositie, kleur en belichting zijn belangrijk voor een goede foto. Probeer voldoende te variëren in horizontale en verticale foto’s. Ook het scheef draaien van je camera levert doorgaans leukere, speelse en spannendere foto’s op.

Dat ga je vanzelf snel genoeg zien, hoe je het beste het shot kunt nemen. Na wat oefenen ga je dat steeds meer op je gevoel doen is mijn ervaring. Op een gegeven moment denk je er bijna niet meer bij na, maar kies je je compositie intuïtief. Op die manier ontwikkel je op een gegeven moment vanzelf je “eigen stijl” van fotograferen. Varieer met close-ups en totaalplaatjes van de geportretteerde.

Size Matters Worldtour 2011_0093

City Moves Den Bosch_0059

Kies een spannende hoek

Hoewel close-ups erg mooi kunnen zijn, stelt niet iedereen dat even zeer op prijs. Houd daar rekening mee. Zie je mooie mensen of mensen in/tijdens bijzondere situaties? Dan kun je ze altijd proberen over te halen. Zullen we niet één foto proberen? Of je doet de suggestie om samen met een vriend of vriendin samen een foto te laten maken. Dan gaan de meeste bezoekers wel akkoord met een foto. Zijn de mensen dan alsnog ontevreden over het resultaat, dan kan je die foto altijd nog weggooien.

City Moves Den Bosch_0132

Close-ups zijn ook leuk

De lens die je het beste voor portretten kunt gebruiken is bijvoorbeeld je kitlens met een bereik van 18 – 55 mm. Helaas zijn de meeste kitlenzen niet erg lichtsterk, diafragma f > 3.5 vaak. En een lichtsterke lens is vooral handig wanneer je binnen in een donkere omgeving fotografeert. Voor foto’s overdag bij goed licht is het gebruik van een kitlens nooit een probleem.

Denk bij het bepalen van de compositie aan de “regel van derden. Probeer de geportretteerde op 1/3 van de zijkant of boven- of onderkant van het plaatje te zetten. Maar je kunt natuurlijk ook speelser en creatiever te werk gaan. En bij DJ’s of geportretteerden bewust een deel van de persoon of het onderwerp weglaten in de foto. Een voorbeeld: alleen die sprekende ogen, of een half portret of een detail van een bezoeker. Of je zet een deel van het gezicht van een DJ bijvoorbeeld helemaal aan de rechterkant van de foto. Probeer ook het totale plaatje neer te zetten in je foto. Een DJ is met apparatuur en knoppen bezig. Neem die zaken dan ook mee in je uiteindelijke compositie. Dus naast het gezicht ook de handen en apparatuur waarmee de artiest werkt. Je kunt hierbij spelen met scherptediepte. Dus de Pioneers, platenspeler, hand aan de knoppen of het mengpaneel scherp en de DJ op de achtergrond meer onscherp. Of andersom natuurlijk. Daarvoor stel je het diafragma van de lens maximaal in (f-waarde zo klein mogelijk, 1.4, 2.8, 3.5).

City Moves Den Bosch_0046

Het juiste moment

Een ander aspect waar je op kunt letten is de expressie van mensen. Probeer die emotionele momenten van euforie of andere soorten emotie te vangen in een shot. En probeer altijd opmerkzaam te zijn voor die omstandigheden.

City Moves Den Bosch_0164

Size Matters Worldtour 2011_0050

Rook

Houd ook rekening met eventueel aanwezige rookmachines. Wanneer er veel rook aanwezig is op de achtergrond, kun je beter even wachten met het maken van een foto, zeker wanneer je inflitst. Zo voorkom je een witte waas in de foto’s. Die witte waas kun je trouwens in Photoshop voor een belangrijk deel weer reduceren, door het aanpassen van de levels. Waarover meer in de laatste paragraaf. Het selecteren van je uiteindelijke set is zeker in het begin lastig. Je vindt natuurlijk als beginnend fotograaf alle foto’s bijzonder geslaagd, anders had je ze niet gemaakt in de eerste plaats natuurlijk. Ook speelse foto’s van randzaken die jij wel interessant vindt daar zit een organisatie soms echt niet op te wachten. Denk daarbij aan lege bierglazen of blikjes. Soms kun je een prachtige foto met veel mooie kleuren en een fantastische scherptediepte maken, maar haal die gewoon uit je shoot die je aanlevert. Probeer een goede selectie te maken van de beste foto’s. Jij bepaalt wat je online zet. Hoe beter je selectie, hoe beter die wordt beoordeeld door bezoekers. Niemand ziet wat jij niet plaatst. Iedereen kan zien wat je wel geplaatst hebt.

Probeer dus energie te steken in de selectie die je aanlevert bij je opdrachtgever. Dus een complete selectie waarin alle onderdelen terugkomen. Misschien zijn portretten wel niet helemaal technisch goed, wat compositie of belichting betreft? Gewoon niet selecteren. Jammer dan… maar jij bent de fotograaf en bepaalt de uiteindelijke selectie. Een goede selectie is goed voor jouw portfolio. Dus probeer kritisch te zijn op het resultaat van je shoot. Het gaat uiteindelijk meer om kwaliteit dan om kwantiteit. Natuurlijk kun je bij het schieten van portretten ook een paar shots maken. En dan ook weer daaruit de beste selecteren. Vooral wanneer mensen hun ogen dicht hebben, maak dan nog een keer die extra foto. Probeer niet te veel mensen onder invloed van drank en/of drugs te fotograferen en in je set op te nemen. Organisaties zijn daar ook niet echt blij mee. En tijdens het fotograferen valt je dat in het donker soms niet direct op. Maar bij thuiskomst zie je zulke zaken direct op de pc. Kortom besteed aandacht aan je selectie en upload zeker niet alles wat je geschoten hebt. Je hebt de complete shoot zelf thuis op de computer… en wanneer mensen toch per se hun onscherpe en/of wazige foto willen hebben, dan kun je (wanneer je daartoe bereid bent natuurlijk) altijd nog het fotootje nasturen. In de praktijk komt dit heel weinig voor, gelukkig maar. Het blijft mensenwerk en foto’s kunnen dus ook mislukken.

En wanneer je denkt, hé dit is ook iets voor mij? Dan raad ik je aan om contact op te nemen met een van de vele partysites die er zijn in Nederland. Vooral als beginnend fotograaf is het zeker lastig om zelfstandig op eigen titel op (grotere) evenementen aan de slag te kunnen. Denk daarbij aan evenementen als Sensation, Thunderdome, en festivals als Dancevalley, Extrema en Mysteryland.


Sensation White

Aan de hand van deze shoots kun je direct goed zien onder welke gevarieerde omstandigheden dit werk plaatsvindt.  Daarvoor heb je toch de partysites nodig die de accreditatie vaak voor je kunnen regelen. En je zult vaak geduld moeten opbrengen alvorens je daar daadwerkelijk rondloopt. Dat heeft met ervaring te maken natuurlijk, maar daarnaast zijn er zeker voor de grotere feesten en festivals meerdere aanvragen van fotografen bij de site waar je actief voor bent, maar zeker ook bij de organisatie van het evenement door andere sites. En dan is het afwachten of de site waarvoor je werkt geaccrediteerd wordt en of jij de fotograaf bent die dan naar het evenement kan gaan. Ik noem een paar partysites. Als eerste: Dancegids.nl waar ik zelf bijna 3 jaar actief voor ben. Daarnaast heb je BetribesDJ Guide en Partyflock. Er zijn er meer, maar dit zijn de belangrijkste.


Anekdote

Nog een grappige anekdote misschien? Of grappig? Ik ben in al die jaren al vaak wat verloren, variërend van lensdoppen, lenskapjes tot oculairkapjes aan toe. Daarnaast is mijn UV filter twee keer gebroken na de val van een camera en lens. Dus zorg zeker voor een filter op je lens. Het glas van de lens was – daardoor – gelukkig onbeschadigd. En ook de camera die twee keer was gevallen was in orde. De camera die ik op een speaker had gezet was van de speaker afgetrild en gevallen van een meter hoogte. Daarnaast is er eens een hele speakertoren van zo’n twee meter hoog tijdens een feest mijn kant uitgevallen. Ik had gelukkig niks, maar die toren viel op mijn beide camera’s + flitsers. Gevolg, een van mijn lenzen was van de body afgebroken. Maar de camera’s + flitsers zelf waren nog in orde. De bajonetsluiting van de lens was wel stuk. Maar ook die kun je laten repareren. Bedenk dus: een ongelukje zit in een klein hoekje. Het is dus aan te raden om altijd goed alert te zijn op de situaties waar je je bevindt. En natuurlijk krijg je wel eens wat bier over je camera, maar dat is doorgaans geen probleem. Dat haal je met een beetje water op een doekje zo weer weg.


Deel 2

Lees meer over partyfotografie in het tweede deel. Daarin komen onder andere de instellingen, zoals ISO-waarde, sluitertijd, diafragma, flitsen en beeldbewerking aan bod. Klik HIER om verder te lezen.


Korsjan Punt is 44 jaar en enthousiast partyfotograaf. Hij rolde vijf jaar geleden in deze tak van fotografie en heeft sindsdien ruim 350 party’s en festivals bezocht. Hij fotografeert in opdracht van verschillende organisaties en hij publiceert ook zelf onder de naam Dutchpartypics. Zijn foto’s (en video’s) staan onder andere op Flickr en Youtube en hij is ook actief op Twitter en Facebook.

De foto’s in dit artikel zijn afkomstig van Korsjan en Dancegids.nl

 

Licht en Belichting

Er is altijd licht nodig om een foto te maken. Hoeveel, dat hangt van diverse factoren af. Via de belichting bepaal je hoe de camera het aanwezige licht moet gebruiken. Licht en belichting zijn dus twee verschillende begrippen, maar hebben enorm veel met elkaar te maken. Ze bepalen voor een groot deel of je foto slaagt.

Steeds weer anders

Gedurende de dag zijn de lichtomstandigheden nooit lang hetzelfde. ’s Morgens gaat de zon op, midden op de dag staat deze natuurlijke lichtbron hoog aan de hemel en ’s avonds duik de zon weer onder. Gedurende deze tocht langs de hemel verandert het licht continue en daarmee ook de schaduwen die het veroorzaakt. Zijn we binnen, dan is de invloed van het natuurlijke licht ineens veel kleiner. Om binnenshuis het tekort aan licht aan te vullen, maken we gebruik van kunstlicht: allerlei soorten lampen. Behalve dat de lichtintensiteit ervan varieert, is ook de kleur van het licht verschillend.


Het licht om ons heen is steeds weer anders

Waarnemen

Waar we ook zijn, buiten varieert het licht van moment tot moment en van plek tot plek. Toch merken wij daar over het algemeen weinig van. Dat komt doordat onze ogen en de grijze massa onder onze schedeldaken zich continu aan de omstandigheden aanpast. Zonder erbij na te denken verwachten wij van onze camera’s hetzelfde. Dat zodra we het toestel ergens op richten, het toestel zelf wel weet wat er gefotografeerd moet worden en op welke manier. In de praktijk werkt dat niet zo. Camera’s worden de laatste jaren wel steeds slimmer en ze zijn steeds beter in staat om goed belichte en kleurechte foto’s te maken, maar fototoestellen winnen het vandaag de dag nog niet van het menselijk waarnemingsvermogen. Dit betekent dat wij de camera onder diverse (licht)omstandigheden een handje moeten helpen. Om te voorkomen dat foto’s onnodig mislukken. Dat is echt niet ingewikkeld en het kost je geen bergen tijd. Er zijn eigenlijk maar een paar zaken waar je aandacht aan moet besteden. Daarmee schiet de kwaliteit van je foto’s als een raket omhoog.

De juiste hoeveelheid

Licht is iets dat er is of er niet is en kan vele vormen aannemen. De zon, een gloeilamp of een kaarsvlammetje geven allemaal licht, maar op elkaar lijken? Dat doen ze niet. Belichting is de manier waarop je van licht gebruik maak om een foto te maken. Het basisprincipe is dat je maar kort hoeft te belichten als er heel veel licht is. Als er weinig licht is moet je juist langer belichten. Een foto maken houdt dus eigenlijk in dat je een afgepaste hoeveelheid licht in de camera laat vallen. Komt er te weinig licht in de camera? Dan krijg je een donkere foto. Valt er te veel licht in het toestel, dan verandert je foto deels in een lelijke witte vlek: overbelicht.

Er zit slechts zestien seconden tussen beide opnamen. Toch zien ze er totaal verschillend uit. Het verschil? Zonder en met zon
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

De drie-eenheid

De belichting stel je in met slechts drie bouwstenen: sluitertijd, diafragma en iso-waarde (lichtgevoeligheid). Meer is er niet nodig, dus dat valt alles mee. Ze worden uitgebreid besproken in het onderdeel basiskennis op Technyx. Met deze drie-eenheid kan onder alle lichtomstandigheden de juiste belichting voor een foto bepaald worden. Mits er in ieder geval een beetje licht is. Alleen in absolute duisternis lukt het niet. Als er te weinig licht is kun je daar uiteraard zelf voor zorgen door bijvoorbeeld een flitser te gebruiken, maar dat laten wij hier buiten beschouwing. Zodra je het verband tussen sluitertijd, diafragma en iso-waarde begrijpt, ben je beter in staat om onder diverse lichtomstandigheden goed belichte foto’s te maken.

Met de juiste belichting maak je onder alle lichtomstandigheden een goede foto.

Sluitertijd

We beginnen met de sluitertijd. Als het erg licht is, bijvoorbeeld midden op een zonnige zomerdag, hoeft er maar een fractie van een seconde licht op de beeldsensor te vallen. Is er juist weinig licht, zoals ’s avonds in de schemering, dan moet de camera meer moeite doen om voldoende licht te verzamelen. Elke camera heeft daarom een mechanisme waarmee geregeld wordt hoelang het licht op de beeldsensor valt. Dat is de sluiter. Het is een soort gordijn dat razendsnel open en weer dicht gaat. Het bevindt zich tussen de lens en de beeldsensor. Zodoende valt er alleen bij geopende sluiter licht op de beeldsensor. Zodra de sluiter dichtgaat is de belichting afgelopen en de foto gemaakt. De sluitertijd bepaalt dus hoelang er licht op de beeldsensor valt. Bij veel licht volstaat een korte sluitertijd. Bij weinig licht is een lange sluitertijd nodig.

Bij weinig licht zoals hier kan met een sluitertijd van zes minuten alsnog een foto gemaakt worden.

Diafragma

In elke lens zit een diafragma. Dit is een (nagenoeg) cirkelvormige opening waarvan de grootte instelbaar is. Hiermee regel je hoeveel licht er via de lens de camera instroomt. Met andere woorden, door het diafragma een stukje te sluiten, doe je net alsof het donkerder is dan het in werkelijkheid is. Doordat de lensopening instelbaar is en hiermee de hoeveelheid licht die door de lens stroomt, heb je veel vrijheid om een bepaalde sluitertijd te kiezen.

Slim combineren

De combinatie van sluitertijd en diafragma bepaalt al voor een groot deel de belichting van de foto. Je kunt het vergelijken met een waterkraan. Die kun je helemaal opendraaien of een stukje. Daarmee regel je de hoeveelheid water die gelijktijdig uit de kraan stroomt: een enorme stroom, een dun straaltje, of enkele druppels per minuut. In een camera staat dit voor het diafragma. Daarnaast kun je een kraan heel kort openen of uren open laten staan. Hoe langer de kraan is geopend, hoe meer water er doorheen gaat. Dit is de sluitertijd. Door de kraan een stukje open te draaien (diafragma) en het water een tijdje te laten stromen (sluitertijd), vang je een bepaalde hoeveelheid water op in een emmer (de belichting).

Je laat de ‘kraan’ lang genoeg openstaan om voldoende licht te verzamelen.

Spelen met een kraan

De truc is nu om met deze twee variabelen te spelen, zodat je steeds de juiste hoeveelheid water (licht) krijgt. Stel dat je een emmer wilt vullen met water. Je kunt de kraan voluit opendraaien en snel daarna weer dicht. In korte tijd heb je dan een goed gevulde emmer. Je kunt de kraan ook op de druppelstand zetten en na een paar uur kijken of de emmer eindelijk vol is (en op een zomerse dag ontdekken dat alles ondertussen alweer verdampt is). Dit zijn natuurlijk wel de twee extremen, er zijn ontelbaar veel variaties mogelijk.

Creatieve mogelijkheden

Misschien vraag je je af waarom er zo veel manieren zijn om simpelweg een emmer met water te vullen. Oftewel: waarom meerdere combinaties van sluitertijd en diafragma toch exact dezelfde belichting geven. De reden is dat deze instellingen voor meer zaken gebruikt worden dan alleen de belichting. Met de sluitertijd bepaal je namelijk niet alleen hoe lang er licht op de beeldsensor valt, maar ook of bewegende voorwerpen haarscherp dan wel bewogen (vervaagd) op de foto komen. Het diafragma bepaalt hoeveel licht er door de lens stroomt, maar ook de scherptediepte. Scherptediepte is het gebied voor en achter het scherpstelpunt dat door ons nog als scherp ervaren wordt. Met andere woorden, behalve voor het bepalen van de belichting, zijn het vooral twee creatieve middelen waarmee je het uiterlijk van je foto’s helemaal naar smaak kunt bepalen.

Vijftien seconden bij diafragma f/8 of dertig seconden bij diafragma f/11 is vooral te zien aan de beweging van water en rookpluimen
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien)  

ISO-waarde

Bij weinig licht is het lastig om de gewenste combinatie van diafragma en sluitertijd in te stellen. Je moet de lens dan helemaal openzetten en een lange sluitertijd gebruiken. Daardoor heb je weinig keuzemogelijkheden. In die gevallen kan de derde factor van de belichting ons redden. Door nu een hogere iso-waarde (lichtgevoeligheid) in te stellen, maken we de beeldsensor gevoeliger voor licht. Het lijkt dan lichter te zijn dan het in werkelijkheid is. Uiteraard is dit niet zo, het enige wat er gebeurt is dat het signaal elektronisch versterkt wordt. De chip wordt dus niet echt gevoeliger. Het voordeel is dat allerlei diafragmawaarden en sluitertijden nu weer te gebruiken zijn. Nadeel is dat niet alleen het licht maar ook allerlei ruis versterkt wordt. Bij de hoogste iso-waarden neemt de technische kwaliteit van de foto daarom af. Er ontstaan allerlei spikkels in de foto die er niet thuishoren, vooral in de wat meer donkere delen van het beeld. Wanneer de ruis echt storend wordt varieert per camera. Compact- en telefooncamera’s hebben er sneller last van dan spiegelreflexcamera’s.

Redelijk snelle sluitertijden zijn ook bij weinig licht mogelijk dankzij een hogere iso-waarde.

Camerastanden

Elke camera zal in de automatische stand zelf een geschikte sluitertijd, diafragma en iso-waarde uitkiezen. Daarnaast zijn er op de meer uitgebreide camera’s allerlei standen te vinden waarin je zelf het diafragma, de sluitertijd, of beide kunt instellen. Ook de iso-waarde kun je zelf instellen. Welke stand je kiest hangt af van het effect wat je in je foto nodig hebt. In  de Av-stand kies je zelf een diafragmawaarde. Dit doe je met name als je de scherptediepte in de hand wilt houden. Heb je met bewegende onderwerpen te maken en wil je bepalen of ze scherp of juist met bewegingsonscherpte worden vastgelegd, dan schakel je meestal over naar de Tv-stand. Werk je onder lastige lichtomstandigheden, dan is de M-stand beter geschikt.

Inschatten van de situatie

Elke camera probeert onder alle lichtomstandigheden een juist belicht foto te maken. Dat wil niet zeggen dat het ook altijd lukt. Soms wordt een foto alsnog te donker (onderbelicht) of juist te licht (overbelicht). Dit heeft te maken met waar wij dit verhaal mee begonnen zijn. Een camera kan niet altijd goed inschatten onder welke lichtomstandigheden een foto gemaakt wordt. Iets wat wij mensen wel kunnen. Een fototoestel verwacht een bepaalde hoeveelheid licht. Denkt de camera dat het lichter is dan gemiddeld, dan zal het automatisch korter gaan belichten om te voorkomen dat de foto overbelicht raakt. Alleen: vergist het toestel zich hierbij, dan raakt je foto juist onderbelicht. Hetzelfde gebeurt als er maar weinig licht is. Dan belicht de camera vanzelf langer om dit voor je op te lossen. Ook nu geldt dat een vergissing averecht werkt. Fotografeer je in een sfeervol restaurant zonder te flitsen, dan krijg je zomaar een overbelichte foto. Weg sfeer!

Voor een sfeerfoto als dit is het meestal nodig om de camera bij te sturen.

Meer of minder dan gemiddeld

Altijd als er meer of minder licht is dan gemiddeld, loop je kans op verkeerd belichte foto’s. In bijvoorbeeld een zonverlicht sneeuwlandschap is er extreem veel licht. Alleen is het nu niet de bedoeling dat de camera gaat onderbelichten, want dan wordt de foto te donker en verandert de sneeuw in smerig grijs. Jouw camera weet nu eenmaal niet dat je in de sneeuw staat, het merkt alleen dat het landschap bovengemiddeld fel verlicht is en wil dit voor je oplossen. Zie je ’s avonds allemaal mooi verlichte gebouwen en wil je daar een foto van maken? Als je niet ingrijpt zal de camera net zo lang belichten totdat het lijkt of je de foto bij midden overdag hebt genomen. Dag sfeer, dag mooie verlichting!

Alleen door over te belichten komt de sneeuw helderwit op de foto
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Zelf bijsturen

Krijg je in een (half)automatische stand te maken met een overbelichte of onderbelichte foto, dan heb je met lichtomstandigheden te maken die afwijken van het gemiddelde. Dit is eenvoudig op te lossen. Er zit een speciale knop of menuinstelling op je camera, genaamd belichtingscompensatie. Vaak staat er een symbool bij van een plus/minteken. Is het donkerder dan gemiddeld en belicht de camera te lang (wat zwart moet zijn wordt op de foto grijs)? Dan stel je een negatieve waarde in om de camera opdracht te geven korter te belichten. Is het erg licht en belicht de camera hierdoor te kort (wit wordt grijs), dan stel je een positieve waarde in om langer te belichten. Als je dit regelmatig doet, bouw je ervaring op. Na een tijdje zie je van te voren of je belichtingscompensatie nodig hebt. Belangrijk om te onthouden is dat je bij veel licht dus moet overbelichten en bij weinig licht juist onderbelichten! Dat klinkt misschien tegenstrijdig, maar je compenseert het gedrag van de camera.

In dit donkere olifantenverblijf was sterk onderbelichten nodig.

Belichtingscompensatie

Zodra je een overwegend donker gekleurd onderwerp in beeld neemt, is de kans groot dat het overbelicht op de foto komt. Zoals een zwarte kat, of een zwarte panter in een donkere hok in de dierentuin. Je verhelpt dit euvel door een belichtingscompensatie van bijvoorbeeld -1 of -2 in te stellen. De camera belicht dan korter, zodat zwart netjes zwart blijft. Heb je juist met een lichtgekleurd onderwerp te maken, zoals een bruid die voor een witte muur poseert, of een witte poes die door de sneeuw banjert, dan kun je ervan uitgaan dat de camera veel te kort belicht en alles donker, grauw en grijs op de foto komt. Hier stel je juist een positieve belichtingscompensatie in, bijvoorbeeld +1 of +2. Welke waarde je instelt hangt af van de lichtomstandigheden en is een kwestie van uitproberen en ervaring opdoen.

Door de felle lucht zou de plant erg donker worden. Daarom is hier overbelicht.
(beweeg met de muiswijzer over de foto om het verschil te zien) 

Gereflecteerd licht

Alleen lichtbronnen stralen licht uit. De zon, een flitser, de lantaarnpaal voor de deur en onze lampen binnenshuis. Een landschap geeft geen licht, maar reflecteert zonlicht. Binnen kunnen we de krant lezen omdat er daglicht via een raam of licht van een lamp op het papier valt. Om een heel lang verhaal heel kort te maken, een camera ziet voornamelijk licht dat ergens door gereflecteerd wordt. Maar omdat niet alles evenveel licht reflecteert, maakt het toestel hierbij soms een inschattingsfout. Een zwarte wand reflecteert bijvoorbeeld veel minder licht dan een spierwitte muur. Zelfs als er exact evenveel licht opvalt, komen ze daardoor verkeerd op de foto te staan. Want richt je de camera om beurten op deze muren, dan meet de camera in het eerste geval heel weinig licht en in het tweede geval juist veel licht. Toch is het niet ineens lichter of donkerder geworden! Dit is de reden waarom soms om onverklaarbare redenen een foto zomaar verkeerd belicht wordt. Het is dus uiteindelijk wel verklaarbaar: reflectie. Wij mensen zien de muren wel zoals ze horen te zijn. Wij weten altijd meer dan een camera. Wij snappen namelijk waar we naar kijken.

Een krokodil in een ruimte met weinig licht vraagt om onderbelichting. Anders wordt de foto veel te licht.

Tot slot

Tot slot is ook het formaat van het onderwerp belangrijk. Hoe groter het hoofdonderwerp in beeld staat, hoe meer het van invloed is op de belichting die de camera kiest. Neem je iets echter maar klein in beeld, dan telt het ineens veel minder zwaar mee. Vooral de omgeving bepaalt dan de gekozen belichting. Kijk daarom niet puur en alleen naar het onderwerp, maar altijd in relatie tot het totale beeld!


Het onderwerp is licht en redelijk groot in beeld. De achtergrond is echter nogal donker.
Uiteindelijk bleek een kleine onderbelichting nodig.

Polarisatiefilter: onmisbaar voor iedere fotograaf

Vrijwel iedereen gebruikt of heeft wel eens gehoord van een uv-filter. Dit filter beschermt je lens, maar doet verder praktisch niets. Maar heb je wel eens een polarisatiefilter gebruikt? Deze gebruik je niet zozeer om je camera te beschermen, maar om je foto’s te verfraaien. Dat scheelt niet alleen veel Photoshop-werk achteraf, maar maakt ook dingen zichtbaar die je anders niet ziet. Er gaat letterlijk een nieuwe wereld voor je open, maar er zijn wel een paar spelregels.

Wat is het effect van een polarisatiefilter?

Voordat we bespreken hoe een polarisatiefilter (ook wel ‘pola’ genoemd) precies werkt, beginnen we met het resultaat. Immers, beelden zeggen meer dan woorden. In dit artikel hebben we een groot aantal voorbeeldfoto’s opgenomen waardoor je het resultaat van een polarisatiefilter goed kunt zien. We tonen steeds de foto zonder polarisatiefilter. Als je met de muispijl op de foto gaat staan, zie je dezelfde foto met polarisatiefilter. Alle beelden zijn zo goed als onbewerkt, zodat het verschil duidelijk zichtbaar is. Dus voor de duidelijkheid: ook de foto’s mèt polarisatiefilter zijn onbewerkt. Het magische verschil is echt puur en alleen te danken aan het filter.

Photoshop? Nee, een polarisatiefilter (locatie: Ierland)

Zoals je kunt zien is het resultaat verbluffend. Blauwe luchten worden blauwer, witte wolken worden witter en de reflectie op het water verdwijnt zodat je er doorheen kunt kijken. Verder vergroot een polarisatiefilter het contrast en de kleurverzadiging en toont het meer nuances in schaduwpartijen.

Wel of geen polarisatiefilter is een wereld van verschil, zoals je kunt zien aan de voorbeeldfoto’s. De meeste fotografen kunnen niet meer zonder. Een pola toont een wereld die met het blote oog niet zichtbaar is. Het kan spiegelingen verminderen, de lucht verfraaien en je foto’s contrastrijker en meer verzadigd maken. Het is daarom een filter dat eigenlijk in iedere fotografentas zou moeten zitten.

(locatie: Rhodos, Griekenland)

Samengevat:

  • Een pola vermindert reflecties
  • Een pola maakt de lucht donkerder blauw en wolken witter
  • Een pola zorgt voor meer contrast en verzadiging
  • Een pola zorgt voor meer evenredige belichting (meer details in schaduwpartijen)
  • Een pola is het meest effectief wanneer de zon schijnt
  • Het effect is maximaal op 90 graden van de zon
  • Een pola kost 1 tot 2 stops licht
  • Plaats een pola niet over een uv-filter
  • Gebruik alleen een circulaire polarizer
  • Gebruik step-up ringen voor gebruik op andere objectief/camera’s
  • De prijs is mede afhankelijk van de filtermaat van je objectief (hoe groter, hoe duurder)
  • Pas op: goedkoop is vaak duurkoop

Een polarisatiefilter verandert de invalshoek van het (zon)licht. De zon produceert lichtstralen die alle kanten op gaan. Sommige lichtstralen gaan op en neer (verticale), sommige gaan van links en rechts (horizontaal) en alle richtingen die daar tussen zitten. Een polarisatiefilter filtert bepaalde lichtstralen, zoals de verticale, en toont alleen de horizontale. De horizontale stralen zorgen voor een meer evenredige belichting, doordat de stralen door hun invalshoek minder reflecteren. Doordat lichtstralen gefilterd worden, verlies je wel wat licht met een polarisatiefilter, wat dus resulteert in langere sluitertijden (1 à 2 stops). Buiten is dat geen enkel probleem, maar binnen kun je een dergelijk filter daardoor dus beter niet gebruiken.

Wat is het effect?

Een polarisatiefilter is een ideaal hulpmiddel, vooral in combinatie met mooi weer en speciale omstandigheden zoals sneeuw of strand. In een skigebied zorgt dat bijvoorbeeld voor helderwitte sneeuw en fel blauwe luchten die strak tegen elkaar afsteken. In kustgebieden neemt een polarisatiefilter reflecties op het water weg, waardoor je recht door de zee heenkijkt en de bodem kunt zien. Hierdoor zie je met een pola meer dan met het blote oog. Misschien herken je het effect van een (dure) zonnebril, zoals een Polaroid. Deze doet in principe hetzelfde. Ook in huis-tuin-en-keuken-situaties komt een polarisatiefilter van pas. Doordat deze reflecties kan wegnemen, kun je ook spiegelingen in ramen en glimmende objecten, zoals auto’s, verminderen of zelfs geheel wegnemen. Dergelijke reflecties leiden bijzonder af van het onderwerp, zorgen voor overbelichting en het verlies van detail. Een ander voordeel van een polarisatiefilter is de versterking van het contrast en de verzadiging. Dat scheelt weer nabewerking achteraf en je foto’s krijgen net wat extra ‘schwung’.

Een polarisatiefilter kan reflecties wegnemen (locatie: Burgers Zoo, Nederland).

In het bovenste voorbeeld zie je dat een polarisatie het fotograferen een stuk makkelijker kan maken door reflecties in ramen te  verminderen. Dat komt niet alleen bij ramen van pas, maar ook bij glimmende objecten zoals auto’s. En als je een ondiep meer of zeer fotografeert met een polarisatiefilter, neem je reflecties weg, waardoor meer ziet dan met het blote oog. Soms zie je zelfs dingen die zonder polarisatiefilter amper zichtbaar zijn, zoals in het voorbeeld hieronder.

Spot de vis, zonder en met polarisatiefilter (locatie: Ierland).

Circulair en lineair

Er bestaan lineaire en circulaire polarisatiefilters. De eerste kun je het beste direct vergeten, want deze werden vooral vòòr het autofocustijdperk gebruikt en zijn tegenwoordig gedateerd. Ze bestaan nog wel, maar voor gebruik met digitale spiegelreflexcamera’s worden circulaire polarizers aangeraden. Lineaire filters kunnen een nadelig effect hebben of de autofocus, hoewel dit per cameramerk en -type verschilt. Hoe dan ook kun je beter op safe spelen en altijd voor een circulair filter gaan.

(locatie: New York, VS)

(locatie: Egypte)

(locatie: Egypte)

(locatie: Nederland)

(locatie: San Francisco, VS)

(locatie: Las Vegas, VS)

Aan het gebruik van een polarisatiefilter gaan wel wat spelregels vooraf. Het is niet zo dat het filter automatisch als toverstokje fungeert en je foto’s verfraait. De belangrijkste spelregel is dat een pola het grootste effect heeft op 90 graden van de zon. Een hulpmiddel is om je rechterhand plat richting de zon te houden en dan met je duim naar links te wijzen (of andersom met je linkerhand). Sommige pola’s hebben een wit streepje op de ring als hulpmiddel; deze moet richting de zon wijzen. Soms beperkt de stand van de zon  de mogelijkheden voor je compositie, bijvoorbeeld wanneer de zon voor of achter in beeld staat. Uiteraard kun je ook in andere posities het filter gebruiken, maar het effect zal minder sterk zijn.

Afstellen

Wanneer het polarisatiefilter op de lens gemonteerd is, kun je aan het uiteinde draaien om het gewenste effect in te stellen. Dat varieert van geen effect, tot halve en volledige polarisatie. Wanneer je wisselt van een horizontale foto naar een verticale (of andersom) moet je het filter opnieuw instellen. Ook als je een lens hebt waarbij het voorste lenselement draait tijdens het scherpstellen (zoals bij veel kitlens) zul je bij iedere foto het filter goed moeten afstellen. Wanneer je telkens in dezelfde richting fotografeert hoef je het filter niet telkens aan te passen. Echter, wanneer de hoek ten opzichte van de zon verandert, is het aan te raden om het filter te roteren als je het maximale effect wilt bereiken. Let er op dat je enkel aan het draaibare deel van het filter zelf draait en niet aan de ring waarmee deze aan de lens bevestigd is (hierdoor kan het filter van de lens vallen).

Een polarisatiefilter bestaat uit twee verschillende delen. Alleen het voorste glasdeel beweegt.

Oefening baart kunst

Wees niet teleurgesteld als je een polarisatiefilter hebt gekocht en niet dezelfde resultaten behaald als in dit artikel. Het kost tijd om de optimale werking van het filter te leren kennen. Richtlijnen als werken op 90 graden van de zon en net zo lang draaien aan het filter totdat je het maximale effect bereikt hebt, zijn erg belangrijk. Daarnaast heeft de stand van de zon, oftewel het moment van de dag, ook grote invloed op het resultaat. Ook een zonnige dag is natuurlijk aan te bevelen, want op een grauwe dag zul je weinig boeiende resultaten boeken met je polarizer (uitgezonderd het wegnemen van spiegelingen).

Ten slotte is het belangrijk om te weten dat Nederland niet het ideale land is, als het gaat om effecten met water. Het beste ingrediënt daarvoor is namelijk kristalhelder en ondiep water. In landen aan de Middellandse zee zul je fraaiere resultaten halen, omdat het water daar helderder is (het effect van ‘door het water heenkijken’ is daardoor een stuk groter. Desondanks kun je ook in Nederland en België mooie foto’s in combinatie met een polarisatiefilter produceren. Begin eens met het fotograferen van wolken op een zonnige dag. Als je wilt oefenen is vooral het effect van het draaien van het filter in combinatie met de hoek ten opzichte van de zon van belang.

(locatie: Rhodos, Griekenland)

Aandachtspunten

Verder is het belangrijk om je te realiseren dat een polarisatiefilter leidt tot verlies van lichtsterkte. Gemiddeld is dat één tot twee stops, bij een maximaal effect. Dat betekent dat je met langere sluitertijden te maken krijgt, wat bewegingsonscherpte in de hand werkt. Het is daardoor aan te raden om een pola vooral te gebruiken bij goed weer (oftewel veel licht) en op een lichtsterke lens. Beeldstabilisatie in de camera of het objectief kan dit verschil gedeeltelijk compenseren, maar dit is vooral effectief bij statische objecten zoals landschappen (en veel minder bij een bewegend onderwerp). Een ander heikel punt is de zonnekap. Wanneer je lens een grote zonnekap heeft, kun het filter vrij lastig draaien. Je kunt dan het beste eerst het filter op de juiste stand zetten en vervolgens de zonnekap monteren. Ook kun je de zonnekap achterwege laten om makkelijker te kunnen werken. Dit is niet altijd ideaal vanwege het gevaar voor ‘flare’ (lichtvlekken), maar wanneer je 90 graden vanaf de zon werkt valt dat meestal wel mee.

Slimline

Een pola kan het beste rechtstreeks op de lens worden bevestigd. Als je al een uv‑filter gebruikt is het aan te raden deze niet te laten zitten. Ieder extra stuk glas voor de lens maakt deze minder lichtsterk en kan leiden tot onscherpte en vignettering. Dat betekent dus wel dat je regelmatig met filters in de weer bent, die met zorg behandeld moeten worden (een speciaal beschermend filterhoesje is aan te raden). Op extreme groothoeklenzen (met een grotere beeldhoek dan de kitlens) is een zogenaamd ‘slimline’ filter aan te bevelen. Sommige pola’s zijn dikker dan een standaard uv-filter en zullen daardoor vignettering, oftewel donkere randen in de uiterste hoeken, in de hand werken. Een slimline filter is platter dan een standaard uv-filter en daarmee uitstekend geschikt voor groothoeklenzen, tot en met extremen als 10mm aan toe. Een nadeel van een slimline-filter is echter dat je er geen lensdop op kunt bevestigen en dat ze doorgaans duurder zijn. Fabrikanten als Hoya en B+W produceren overigens momenteel filters die veel platter zijn dan vroeger, dus of een slimline echt nodig is, kun je het beste van te voren even testen.

Er zijn verschillende soorten polarisatiefilters, van klein tot groot, goedkoop en duur en dun tot dik. Een polarisatiefilter is per definitie duur. Ze zijn er al vanaf een paar tientjes, maar prijzen van honderden euro’s zijn ook niet ongebruikelijk. Dat is met reden. De duurdere modellen gebruiken meerdere lagen glas en zijn beter geoptimaliseerd. Dat heeft als gevolg dat het filter een stuk effectiever is. En aangezien het juist gaat om dat effect, is het zaak om daar vooral niet op te bezuinigen. Ook verlies je met de goedkoopste serie filters vaak meer licht en soms gaat het gebruik zelfs ten koste van de optische prestaties. Denk er aan dat het filter waarschijnlijk langer meegaat dan je camera en dus een langetermijninvestering is.

Links een goedkoop filter, rechts een duur filter. Het verschil is duidelijk zichtbaar.

We raden dan ook aan om niet het goedkoopste van het goedkoopste te nemen, omdat goedkoop in sommige gevallen duurkoop is. Verder is dan ook aan te bevelen om meerdere exemplaren te testen bij een fotozaak en niet blindelings tot de aankoop overgaan. De prijs van een filter stijgt ook aanzienlijk naarmate de omvang toeneemt. Een 52 of 58mm pola van een bekend merk is doorgaans goed te betalen, maar wanneer je 77mm filters of groter nodig hebt, is de prijs al snel een factor twee hoger. Als je meerdere objectieven hebt wordt het helemaal een dure aangelegenheid, hoewel je eventueel wel step-up of step-down ringen kunt gebruiken om een andere filtermaat op je objectief te zetten.

Een polarisatiefilter zorgt voor een meer evenredige belichting, waardoor je meer details in donkere delen ziet.

(locatie: Kreta, Griekenland)

Voor welk objectief? En welk doel?

Het zou ideaal zijn om een polarisatiefilter voor al je lenzen te hebben, maar in de praktijk is dat niet realistisch. Omdat de maten van objectieven per type verschillend zijn, is dat een dure hobby (tenzij je lenzen allemaal dezelfde maat hebben). Als je economisch verantwoord bezig wilt zijn, kun je je het beste afvragen op welke lens je het filter het meest zult gebruiken. Een polarisatiefilter is bij uitstek geschikt voor landschapsfotografie, dus de lens die je daarvoor gebruikt ligt het meest voor de hand. Denk ook vooruit of je die lens nog lang zult gebruiken of op korte of lange termijn wilt inruilen voor een ander exemplaar. Stel dat je bijvoorbeeld nu een 18-55mm kitlens gebruikt, maar aast op een ander objectief, dan kun je misschien beter nog even wachten (of een step-up ring gebruiken). Hoewel landschappen vooral met groothoeklenzen worden gefotografeerd, kan dat ook met een telelens. Als je veel met tele fotografeert, is het zeker interessant om daar op een polarisatiefilter op te gebruiken. Voor andere doeleinden, zoals macro’s en binnenfotografie is een polarisatiefilter niet echt van meerwaarde. Bij productfotografie kan hij overigens wel van pas komen (dankzij de eigenschap om reflecties te verminderen).

Basiskennis: Compositie

Op de sluiter drukken kan iedereen. Maar een goede compositie vereist creatief vermogen, inzicht en ervaring. Los van de technische aspecten wordt de waarde van een foto grotendeels bepaald door de compositie. Een foto is een registratie van iets, maar een goede foto moet meer zijn dan dat. Die moet zonder woorden een soort verhaal vertellen en het liefst op een zo originele en interessant mogelijke manier. Het is daarom aan te raden om vooraf al over de foto na te denken. Wat wil je laten zien? Wat moet de foto vertellen of uitstralen? Wil je er een bepaald onderwerp uit laten springen of juist niet? Hoe geschikt is de omgeving waar je de foto wilt maken? Wat moet de gezichtsuitdrukking zijn (in het geval van een portret)? Probeer voor je op de knop drukt het eindresultaat visueel voor te stellen en bedenk hoe je dat kunt realiseren. In dit artikel helpen we je op weg met wat tips en algemene richtlijnen voor het maken van interessante composities.

Overzicht

Voordat we de tips op aparte pagina’s bespreken, eerst even een korte samenvatting met alles op een rij:
(onderaan iedere pagina vind je ook een index terug waar je op het onderwerp van je keuze kunt klikken)

  1. Inleiding
    (deze pagina)
  2. Onderwerp niet in het midden
    (dat maakt een foto saai) 
  3. Niet in het midden – deel 2
    (horizon en landschappen) 
  4. De regel van derden
    (verdeel je foto in drie delen) 
  5. Horizontaal of verticaal? 
    (portretten) 
  6. Horizontaal of verticaal? – deel 2
    (landschappen)
  7. Maak gebruik van scherptediepte 
    (een onscherpe achtergrond is mooi) 
  8. Groothoek of tele
    (wat en wanneer?)
  9. Kijkrichting
    (de beweging of de kijkrichting bepaalt de compositie) 
  10. Lijnenspel
    (lijnen versterken het onderwerp en het ‘verhaal’) 
  11. Voorgrond-achtergrond
    (voorkom platte foto’s zonder diepte) 
  12. Een duidelijk onderwerp
    (een leeg landschap is saai)
  13. Perspectief
    (een ongebruikelijk perspectief kan verfrissend zijn) 
  14. Anders dan anders
    (bijna alles is al eens gedaan, zoek de originaliteit) 

De horizon wordt ook vaak bewust of onbewust horizontaal en verticaal in het midden geplaatst. Ook dit is uitermate saai. Voor iemand die een foto bekijkt is het dan niet duidelijk of er naar de onderkant (bijvoorbeeld land of zee) of de bovenkant (de lucht) moet worden gekeken. Bij de foto hieronder staat de zon weliswaar exact in het midden, maar de horizon ligt bewust laag. De nadruk ligt daardoor op de lucht en de zon – niet toevalligerwijs de meest interessante delen van de foto. De voorgrond (onderkant) van de foto is niet interessant genoeg om meer in beeld te nemen, want die is (door het tegenlicht) helemaal zwart. Let er bij het fotograferen van een landschap, de zee, wolken of een zonsondergang dus op dat de horizon niet in de midden staat. Dat is nog storender dan het onderwerp in het midden. En het ergste is allebei (dus zowel de horizon als het onderwerp exact in het midden). Zie ook de ‘regel van derden’ (het onderwerp op de volgende pagina).

Landschappen

Ook voor landschappen gaat de ‘niet in het midden’-regel op. Fotografeer je bijvoorbeeld een boom of gebouw, probeer deze dan aan de linker- or rechterkant in je compositie te plaatsen. Het is altijd goed om een bepaald onderwerp van een foto er uit te laten springen, maar bij voorkeur niet door deze exact in het midden te plaatsen. Door bijvoorbeeld het onderstaande gebouw aan de linkerkant te plaatsen, ontstaat er een verbinding met het landschap op de achtergrond (waar het gebouw op uitkijkt). Zie ook de ‘regel van derde’ (op de volgende pagina), dat een direct verband houdt met de ‘niet-in-het-midden’-richtlijn.


Wanneer je een foto maakt zijn er enkele algemene regels voor de compositie. Eén van de belangrijkste daarvan is dat het onderwerp centraal moet staan. Maar dat moet echter niet zo letterlijk worden opgevat dat het onderwerp altijd precies in het midden moet staan. Liever niet zelfs, want dat is erg saai en ongeïnspireerd. Je krijgt dat erg veel ‘loze ruimte’ rondom het onderwerp, die totaal niet interessant is. De achtergrond rondom het onderwerp telt als het ware niet mee. Een symmetrische foto kan heel mooi zijn, maar je zult zien dat je foto’s er meestal beter van worden als het onderwerp buiten het midden plaatst.

Vergelijk de bovenstaande twee foto’s eens kritisch. Het betreft de lobby van het Hyatt hotel in de 420 meter hoger Jin Mao toren te Shanghai – van bovenaf gefotografeerd. In het eerste geval is de lobby in het midden gecentreerd. Hoewel het onderwerp interessant is, is de compositie wat saai, mede omdat er geen lijn in de foto zit. En dat terwijl er wel verschillende potentiële lijnen aanwezig zijn, zoals de railing dat naar beneden loopt. Bij de bovenste foto gaat je oog direct naar het midden – de omgeving links en rechts lijkt er niet toe te doen. In de tweede foto is de compositie spannender door de lobby aan de rechterkant te positioneren. Doordat de railing van boven naar beneden het oog naar de lobby leidt, ontstaat een speels effect. De uitstekende delen van de railing nemen je als het ware mee naar beneden. En uiteindelijk kom je door dit lijnenspel alsnog bij de lobby uit. De lijnen hebben dus een versterkende werking. Ze versterken de compositie.

Personen

Wanneer je je onderwerp altijd in het midden zet isoleer je deze als het ware van de rest. Zoals eerder gezegd; de rest lijkt er dan niet toe te doen. Stel dat je dit doet met personen, dan geldt daarvoor hetzelfde: alleen de persoon in het midden is belangrijk. Wanneer je het onderwerp juist bewust links of rechts op de voorgrond plaatst, verbind je de voor- en achtergrond met elkaar, wat het verhaal kan versterken. Als je ervoor zorgt dat er op de achtergrond iets staat wat een link heeft met het onderwerp, zoals een kantoorpand, een auto of de straat waar iemand woont of werkt, dan maakt dat de foto een stuk interessanter.

In de bovenstaande foto staat het hoofdonderwerp, het meisje in blauw, aan de rechterkant van het beeld en zijn de verhoudingen tussen voor- en achtergrond in balans. Het meisje staat weliswaar op de voorgrond, maar hoort duidelijk bij de andere twee. Ze trekt niet alle aandacht naar zich toe door in het midden te staan (waarbij de personen op de achtergrond alleen maar storend zouden worden).

De meeste mensen fotograferen ‘horizontaal’. Oftewel, de camera recht in de hand, zoals op de foto hieronder. Dat is oo nog zo gek, want zo zijn camera’s ontworpen. Je houdt ‘m met je linkerhand vast en met de rechterhand druk je op de knop. In de meeste gevallen, zoals landschappen, is dit meestal ook het mooiste. Maar er zijn ook situaties waarbij een compositie meer gebaat is bij een verticale, oftewel staande, foto. Je kantelt je camera dan 90 graden links omhoog en maakt op die manier een foto.

Portretstand

Het fotograferen in de verticale stand wordt ook wel de portretstand genoemd. Dat komt omdat het fotograferen van personen logischer is in de portret stand. Immers, mensen zijn ook verticaal gebouwd niet horizontaal. Een persoon die staat kun je het beste ook ‘staand’ fotograferen, oftewel in de verticale stand. Kijk maar naar de foto hieronder. Wanneer de foto in de normale horizontale stand zou zijn gemaakt, zou je links of rechts een heleboel loze zwarte ruimte hebben. Dat leidt meestal alleen maar af van het onderwerp.

Een verticale, staande foto (boven) en een horizontale, liggende, hieronder. Model (in beide gevallen): Marlies Schuitemaker van de band Aniday

Natuurlijk zijn er ook situaties waarbij je een persoon wel beter horizontaal kunt vastleggen. Bijvoorbeeld door lichaamstaal (zie hierboven) of door de achtergrond die een bepaalde rol speelt, maar dat als de persoon het hoofdonderwerp is, zijn dat meestal uitzonderingen. Oftewel, portretten kun je over het algemeen het beste maken in de verticale stand.

Om je te helpen bij het maken van een goede compositie – waarbij het onderwerp dus niet in het midden wordt geplaatst – bestaat er een algemene richtlijn: de zogenaamde rule of thirds, oftewel ‘regel van derden’. Deze regel komt erop neer dat je je compositie opdeelt in drie delen, met ieder weer drie subdelen. Zo ontstaat er uiteindelijk een vlak met negen blokken. De gedacht hierachter is dat het met deze methode onmogelijk is om nog iets in het midden te plaatsen. Het midden bestaat niet meer. Voortaan moet je kiezen: links of rechts, boven of onder.

Denken in derden

De gedacht is als volgt:denk voortaan in derden. Stel dat je een landschap met land en wolken fotografeert is het de bedoeling dat je éénderde en tweederde deel toewijst aan ofwel het land ofwel de lucht. Je voorkomt dan automatisch dat de horizon exact in het midden zit. Deze richtlijn dwingt je ook tot nadenken over wat interessant is aan je (toekomstige) foto. Afhankelijk daarvan kies je namelijk voor ofwel de lucht, of het landschap. In de praktijk wordt vaak voor het landschap gekozen (de afbeelding hieronder), tenzij de wolken in de lucht (of de zon) erg interessant zijn om naar te kijken. Is dat het geval, dat wordt voor een indeling volgens de foto hierboven gekozen.

En wanneer je een portret maakt, zorgt u ervoor dat de persoon ongeveer een derde van de foto in beslag neemt en dat de rest wordt opgevuld door de omgeving. Op de vorige pagina bespraken we al dat het saai is om een persoon helemaal centraal in beeld te nemen (uitzonderingen daargelaten). Ook wanneer je een groot object als een gebouw of een auto fotografeert kun je deze beter juist tweederde van het beeld in beslag laten nemen (tenzij de achtergrond ook van groot belang is). Een close-up van een portret of ander onderwerp mag natuurlijk veel meer ruimte in beslag nemen. Laat je creativiteit er vooral niet door afremmen, maar hou deze regel in je achterhoofd als houvast voor een goede compositie.

Praktijkvoorbeelden

Hoe ziet de vlakverdeling er uit bij een concrete foto? Zie bijvoorbeeld de foto hieronder van de dom van Keulen. Het hoofdonderwerp, de cathedraal, staat hier bewust links. De brug leidt het oog naar het onderwerp en versterkt daardoor de compositie. De kerk en de brug samen vormen in verticale zin samen tweederde van de compositie. Als je een lijn voor de horizon zou trekken is het duidelijk dat de lucht tweederde in beslag neemt en de voorgrond eenderde (ook al overlapt de voorgrond de achtergrond aan de rechterkant). De foto voldoet volledig aan de regel van derden. Ga maar eens met de muis op de foto staan, dan komt het lijnenspel in beeld. Je ziet dat zowel horizontaal als vertikaal een keuze is gemaakt.

50 mm, f14, 30 sec., ISO 100

Hetzelfde zie je bij de foto hieronder, van een boompje in de Egyptische woestijn. Ook deze foto voldoet aan de regel van derden doordat de grond circa een derde in beslag neemt en de lucht twee derde. Ook is de boom bewust aan de rechterkant geplaatst. Vanwege zijn bijzondere vorm, die naadloos aansluit op de bergen op de achtergrond, trekt hij automatisch de aandacht.

 

Waar de verticale stand redelijk gangbaar is bij portretten, is de horizontale stand dat voor landschappen. Voor een gemiddeld landschap werkt de horizontale stand meest het best. Maar laat je je er vooral niet van weerhouden om af en toe wat anders te proberen. Maak desnoods twee foto’s, een horizontale en een verticale, zodat je ze later thuis nog eens naast elkaar kunt houden. Soms voegt een bepaalde foto wat toe, bijvoorbeeld als er een bijzonder onderwerp is. In ieder biedt een een compleet andere blik, zoals te zien is aan de twee foto’s hieronder:

De foto hieronder geeft ook een goed beeld van een horizontale versus een verticale foto. De horizontale foto van dit monument is oké, maar er is erg veel ruimte aan de linkerkant. Door de foto verticaal te maken komt de nadruk meer te liggen op het monument zelf. Dat is geen kwestie van goed of fout, maar het gaat simpelweg om een andere impressie.

Afhankelijk van de lens, de camera en de telestand, kan een camera een beperkte scherptediepte genereren. Dat is mooi want daardoor ontstaat een vage, onscherpe achtergrond waardoor automatisch meer nadruk op het onderwerp wordt gelegd. Dit effect is bij spiegelreflexcamera’s groter dan bij compacts, vanwege de grotere lens en sensor.

Je kunt dit effect bereiken door bijvoorbeeld door een telelens te gebruiken en het onderwerp van enige afstand vast te leggen. Let er wel op dat er achter het onderwerp voldoende ruimte is tot het volgende object, want de mate van onscherpte is hiervan afhankelijk. Zorg dat het onderwerp helemaal scherp is en gebruik tegelijkertijd een zo groot mogelijke lensopening (zoals f2.8). Hoe groter de opening, des te onscherper de achtergrond wordt (en andersom). Het voordeel van deze opzet is dat de achtergrond niet afleidt en het onderwerp alle aandacht krijgt.

Spelen met scherpte en onscherpte

Je kunt dus met scherptediepte spelen om je onderwerp er beter uit te laten springen. Maar je kunt er ook op andere manieren mee spelen. Bijvoorbeeld door een deel op de voorgrond onscherp en de achtergrond scherp – of andersom. Dat kan soms hele spannende effecten opleveren die je compositie versterken. Zie bijvoorbeeld de onderstaande foto voor het verschil dat scherptediepte en een bepaald focuspunt kan maken. Beweeg met je muis over de foto om de voor- en achtergrond te wisselen.

 

Tijdens het fotograferen moet je veel keuzes maken. Al is het alleen al niet of je een foto maakt waar alles op staat of slechts een deel er uit licht. In het onderste voorbeeld zie een situatie met een waterval en een dorpje met bergen op de achtergrond. De eerste foto is gemaakt met een groothoeklens. Deze biedt een fraaie blik van de totale omgeving met de waterval op de voorgrond en de rest op de achtergrond. In plaats van deze foto zou het vanaf hetzelfde standpunt ook mogelijk zijn om met een telelens een bepaald onderwerp uit te lichten. Bijvoorbeeld alleen de waterval – of het kerkje en de bergen.

Een uitdaging bij een dergelijk landschap zijn de sterk verschillende lichtomstandigheden in de voorgrond en achtergrond. Zo ligt het dorpje in de felle zon en zit de waterval in de schaduw. Voor veel camera’s is dat een vrijwel onmogelijke taak. In dit geval is de foto gemaakt in RAW en later via beeldbewerking gebalanceerd (de schaduwpartijen licht, de achtergrond donkerder).

Inzoomen

In plaats van een totaalshot kun je ook een specifiek onderwerp kiezen, bijvoorbeeld alleen de waterval. Deze trekt daardoor de volle aandacht en doordat er geen afleidende zaken zichtbaar zijn. Ook is de waterval groter in beeld, wat tevens de impact vergroot. De keerzijde is dat een foto als deze weliswaar mooi is, maar ook ietwat saai. Juist een bepaalde achtergrond plaats een onderwerp in een beetje setting en sfeer, wat de compositie kan versterken.

Een belangrijk onderdeel van de compositie is de kijk- of beweegrichting van het onderwerp. De richtlijn is op zich vrij duidelijk: kijkt iemand naar rechts, dan plaats je het onderwerp links. De ruimte van de foto zit dan aan de rechterkant, waar het onderwerpen tevens naartoe kijkt. Dat versterkt het geheel. Anders kijkt het onderwerp de compositie uit en dat ziet er meestal gek uit.

Beweegrichting

Exact dezelfde richtlijn gaat op voor een bewegend onderwerp zoals een voetganger, motor of auto. Rijdt deze naar links, dan plaats je hem rechts. De ruimte aan de linkerzijde ligt dan open – niet geheel toevallig exact de kant waar het onderwerp naartoe beweegt. Stel dat het anderom is, dan rijdt je onderwerp (in dit geval de motor) als het ware de foto uit, terwijl er achter hem heel veel ruimte is. Compositie-technisch klopt dat niet. Over hoeft een onderwerp niet altijd perse in een linker of rechterhoek te staan, maar ‘bewegingsruimte’ tot het einde van de foto is wel een pré.

Deze richtlijn kan je helpen bij het maken van een goede compositie. Mocht het nu ter plaatse niet helemaal uit de verf komen, dan kun je het ook goed in gedachten houden bij het bewerken van je foto (in Photoshop bijvoorbeeld). Je kunt dan achteraf een uitsnede maken op basis van exact dezelfde richtlijn. Natuurlijk mits er voldoende ruimte rondom het onderwerp is.

Let bij het maken van een compositie ook op het lijnenspel. Mogelijk zijn er lijnen (straten, strepen, palen, hekken, draden) waarvan je gebruik kunt maken om je onderwerp te benadrukken. Gebruik bijvoorbeeld de strepen op een weg en plaats je onderwerp aan het einde daarvan. De lijnen trekken het oog dan naar het onderwerp en dat is een pluspunt. Natuurlijk zijn deze ingrediënten niet altijd aanwezig, maar maak er gebruik van als dat mogelijk is.

De Eiffeltoren in de foto hieronder springt zelf al direct in het oog door zijn blauwe kleur en het felle licht op de top, maar de weg ernaar vormt een lijn die het onderwerp nog verder versterkt. Je oog volgt automatisch de lijn en komt op die manier vanzelf bij het onderwerp uit.

De volgende foto ben je ook al tegengekomen op de tweede pagina, maar is ook een klassieker als het om lijnen gaat. De etages van dit hotel lopen als een spiraal naar beneden tot de lobby. Ook hier volgt het oog deze lijnen en komt zo uit bij de beganegrond.

De foto hieronder, van het Guggenheim museum in New York heeft eveneens een spiraalvorm, al die dat niet helemaal zichtbaar. In dit geval staat de bijzondere vorm zelf meer centraal. Kijk dus niet alleen recht vooruit, maar vooral ook omhoog en (indien mogelijk) omlaag.

Er zijn platte foto’s en foto’s met meerdere lagen. Een foto met meerdere lagen bestaat uit een voor- én een achtergrond die iets met elkaar gemeen hebben of elkaar aanvullen. Stel, je wilt een foto nemen van een diep dal. Je kunt dan een foto maken van alleen het dal. Er is dan echter geen referentiepunt, waardoor de diepte in feite minder groot lijkt. Je kunt het gevoel van de diepte versterken door een detail uit de voorgrond in de compositie mee te nemen (zoals een boom), zelfs als deze deels onscherp is. Meerdere lagen in een foto versterken de diepte en maken de compositie interessanter.

Foto’s van het capitool in Washtington zijn er zat. Een goed belichte foto met blauwe lucht en witte wolkjes is dan niet meer genoeg. Wees origineel en zoek naar elementen in de voor- en achtergrond. In dit geval is het stuikgewas als voorgrond gebruikt, waardoor de foto wat frisser oogt en je bovendien een gevoel van diepte (tot het onderwerp) krijgt.

Hierboven je de torenhoge flats van Benidorm (Spanje), Op de voorgrond zie je een golfparcour dat onderdeel is van een luxe resort. Nu had deze foto ook zonder golfbaan gemaakt kunnen worden – met alleen de flats en de bergen. Maar de voorgrond vergroot juist de afstand en het contrast. Het bijna surrealstisch omdat de twee onderwerpen niet direct bij elkaar passen.

De foto hierboven is van de woestijn in Oost-Egypte, net na zonsondergang. De foto is opzich niet heel bijzonder, maar de verschillende lagen maken hem interessant. Nu nog een vliegende vogel op de voorgrond en hij was echt ‘af’.

Soms is een blik op een bepaald landschap erg mooi. Toch komt het er op een foto niet altijd zo mooi uit te zien als we in gedachten hadden. Vaak komt dat doordat er een duidelijk onderwerp ontbreekt of er geen diepte is, wanneer er bijvoorbeeld geen verschil is tussen de voor- en achtergrond. Een lucht kan nog zo mooi zijn, een foto is pas ‘af’ wanneer er meer is dan dat. Al is het maar een vogel, een bootje, of een wandelaar.

In de volgende twee foto’s is dat goed te zien. De bovenste foto is weliswaar interessant vanwege de zonnestrallen die door de wolken prikken, maar doordat er verder niets bijzonders te zien is is hij saai. De foto daaronder, van een totaal andere plek en moment, tonen een vergelijkbaar wolkenspel, maar nu met een onderwerp op de voorgrond. Een kitesurfen die langs de zee loopt. Bovendien ontstaat er hierdoor een soort (kracht)verhouding; de overweldigende natuur en de nietige mens.

Bijna iedere foto is al eens gemaakt en dus is het de kunst om creatief te zijn. Een afwijkend perspectief kan verfrissend zijn. Fotograaf een onderwerp bijvoorbeeld niet recht van voren, maar van boven of beneden – zoals hieronder met een standbeeld van George Washington nabije Wall Street in New York.

Een afwijkend perspectief is een manier om foto’s origineel te houden. In plaats van plat van voren is hier gekozen om het standbeeld van onderen te fotograferen, met de gebouwen daar omheen die de lucht inwijzen. (16mm, f6/3, 1/100esec, ISO 400)

De foto hierboven is bijna vanaf de grond genomen. De jonge snowboarder lijkt zo op de top van een berg te staan. In werkelijkheid was er nog een skipiste met een bos op de achtergrond, maar die is door het lage standpunt niet meer te zien.

Naast algemene composities van een mooi onderwerp kun je ook je ogen open houden voor afwijkende zaken. Zelfs iets lelijks kan mooi zijn. Een afwijkende compositie kan heel verfrissend zijn. Leg verbanden met verschillende onderwerpen, zoek creatieve standpunten op en denk aan de ‘regels’, maar durf deze ook te overtreden. De genoemde ‘regels’ in dit achtergrondartikel over de compositie zijn slechts richtlijnen in de fotografie. En richtlijnen zijn niet heilig. Er van afwijken is soms heel verfrissend en origineel. En originaliteit is heel wat waard,

Eenvoud is soms ook mooi. Een foto van de sierlijke zandduinen in de Sahara woestijn, met ‘oneindige’ voetstappen.

Soms kan een sociaal-maatschappelijk contrast ook een foto interessant maken, zoals dit verloederd familiegraf met vuilnis, verkeerspionnen en een winkelwagen. Het is dan een meer journalistieke foto. 

Pure eenvoud. Een rotswand en een eenzaam doch fraai gevormd wolkje. 
 

Basiskennis: Videofilmen met een fotocamera

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook. Het is allang niet meer zo dat je daar een camcorder voor nodig hebt. Sinds het digitale tijdperk is filmen leuker en makkelijker dan ooit tevoren. En sinds de intrede van hd en filmende spiegelreflexen is de kwaliteit enorm toegenomen en kun je met een fototoestel scherptediepte effecten berijken die met een videocamera niet mogelijk zijn. Toch zijn er wel een aantal punten om op te letten wanneer je met je camera wilt filmen.

Het duurde niet lang voordat digitale camera’s ook een filmfunctie kregen. Immers, de sensor was ertoe in staat en het beeld was toch digitaal. Aanvankelijk was de resolutie zeer beperkt evenals het aantal beelden per seconde, waardoor het er niet echt uit zag. Maar dat is nu verleden tijd – helemaal sinds moderne camera’s ook in hd-kwaliteit kunnen filmen. Zelfs digitale spiegelreflexcamera’s zijn er tegenwoordig toe in staat (in feite dankzij een doorontwikkeling van live-view). Dankzij de grotere sensor zijn de filmbeelden van een spiegelreflex kwalitatief nog een stuk beter dan die van een compactcamera, wat vooral merkbaar is onder slechte lichtomstandigheden. Ook is de beperkte scherptediepte die een spiegelreflex biedt (in combinatie met lichtsterke lenzen) fenomenaal – waardoor de kwaliteit van professionele films haast geëvenaard wordt en een echte ‘film look’ mogelijk is.

Filmen met een fotocamera? Dat kan natuurlijk ook!

Beperkingen

Er zijn soms wel een aantal beperkingen. Zo is het bijvoorbeeld met spiegelreflexcamera’s vaak niet mogelijk om automatisch scherp te stellen tijdens het filmen. Sommige modellen kunnen het wel, maar het gaat dan zeer traag of werkt alleen maar met gezichten (op basis van gezichtsherkenning). Gelukkig is scherpstellen ook niet altijd nodig; vooral na in- of uitzoomen of bij een bewegend onderwerp is het van belang. Een andere handicap is dat sommige compactcamera’s niet of beperkt kunnen zoomen tijdens het videofilmen. Nu is zoomen in de officiële filmwereld ook niet echt gewenst, maar voor het vastleggen van bijzondere gebeurtenissen kan dat wel een groot nadeel zijn. Ook zijn camera’s niet altijd in staat om te filmen in het donker of onder slechte lichtomstandigheden. Camcorders hebben daar een speciale stand voor, zoals infrarood. Een laatste nadeel is de vaak beperkte kwaliteit van de ingebouwde microfoon. Deze zit ergens weggewerkt en legt het geluid meestal niet kraakhelder vast. In een lawaaierige omgeving, zoals bij concerten, raakt het geluid soms overstemd. Bovendien is de kans groot dat u last hebt van allerlei nevengeluiden van de camera zelf, zoals het vasthouden, in- en uitzoomen en scherpstellen. En als laatste geldt uiteraard dat een fotocamera in veel gevallen ergonomisch minder geschikt of om mee te filmen dan een echte videocamera. Zeker bij langere of moeilijke shots kan dat problemen opleveren.

Het is handig om voor het filmen te bedenken wat je wilt vastleggen. Wat het is hoofdonderwerp? Welke achtergronden zijn interessant? Vanaf welke positie is het licht het best? Wat betreft dat laatste, net zoals bij fotografie is filmen met de zon in de rug een bekende tip. Kies van tevoren een onderwerp en wissel niet zo vaak tijdens het filmen. Beweeg de camera altijd rustig en gecontroleerd.

Stabiliteit

Het is erg lastig om een camera helemaal stil te houden. Een kleine camcorder of fotocamera is hier eerder een nadeel dan een voordeel. Een flinke camera ligt over het algemeen stabieler in de hand. Het is dan ook aan te raden om een camera met twee handen vast te houden en niet met uitgestrekte arm te filmen. De lichte trillingen van handen en armen zijn terug te zien in het resultaat en dat levert een onrustig beeld op. Gelukkig hebben de meeste nieuwe videocamera’s beeldstabilisatie. Een bewegend element in de camcorder of het objectief compenseert dan lichte trillingen, waardoor het beeld rustig blijft. Dit maakt het ook mogelijk om sterker in te zoomen, zonder dat de kijker meteen ‘zeeziek’ wordt. Maar desondanks is het aan te raden om de maximale zoomstand te vermijden. Zelfs met beeldstabilisatie is het beeld dan lastig stabiel te krijgen.

Een lens met beeldstabilisatie is een pluspunt tijdens het videofilmen omdat het beweging tegen gaat. Een minpunt is dat de stabilisatie (evenals het scherpstellen) soms wel te horen is in de opname.

Er bestaan ook dure stabiliteitsoplossingen die in de professionele filmwereld worden gebruikt, maar dat vergt een zeer grote investering.

 

Niet zoomen

Tijdens het filmen kun je het best zo min mogelijk in- en uitzoomen. Ook dat komt onrustig over. Je kunt beter even de opname stilzetten en dan in- of uitzoomen en het filmen vervolgen. Een uitzondering is wanneer het zoomen heel langzaam gaat. Dat kan juist erg mooi zijn.

Los van bestandsformaten, zijn er ook verschillende resoluties die gebruikt kunnen worden. De VGA-resolutie is het meest gebruikelijk en bestaat uit 640×480 pixels (4:3).Sommige camera’s bieden ook een breedbeeld variant met 854×480 pixels (WVGA). Beide standen voldoen prima, maar halen niet de hoge kwaliteit van hd. Dat begint namelijk bij 1280×720 pixels, wat ook wel 720p wordt genoemd. Desondanks kan VGA-kwaliteit in sommige gevallen voldoende zijn – dit bespaart opslagcapaciteit en hd-kwaliteit is lang niet altijd noodzakelijk. Vooral wanneer u veel wilt filmen is (W)VGA ideaal. Maar als u thuis een hdtv hebt staan, ligt filmen in hd wel het meest voor de hand. Dat is een stuk scherper en gedetailleerder dan VGA, waardoor de beleving tijdens het kijken veel groter is. U kunt uw camera rechtstreeks op de tv aansluiten via een HDMI-kabel of tulpstekkers (composiet).

HD-kwaliteit

Veel compact- en spiegelreflexcamera’s kunnen ook filmen in hd. Er zijn twee hd-formaten in omloop: 720p en 1080i / 1080p. De eerste is voldoende als u over een zogenaamde HD Ready-tv beschikt. De resolutie hiervan bestaat uit 1280×720 pixels. Dit is al bijna een verdubbeling ten opzichte van VGA en in de meeste gevallen voldoende. Hebt u echter een Full HD-tv, of wilt u simpelweg de best mogelijke kwaliteit, dan kunt u ook voor de 1080i of 1080p-stand kiezen. Deze gebruikt 1920×1080 pixels, waardoor het detail nog een stuk beter is dan 720p. Het verschil is echter minder groot dan de overgang van VGA naar 720p; niet iedereen zal het verschil waarnemen. Vooral op een bijzonder grote tv (met een diameter van een meter of meer) is het verschil echt te zien.

Het verschil in beeldomvang (en dus beeldkwaliteit) is op dit plaatje goed te zien. 1080p hd is circa 5x beter dan VGA. (beeld: Wikipedia)


Op het lcd-scherm is meestal te zien welke beeldkwaliteit (1080p/720p/VGA) en beelden per seconde (24/25/30) er gebruikt worden

Videoformaten

Er zijn verschillende videoformaten. Dit zijn digitale bestanden, waarbij het verschil meestal zit in de gebruikte compressietechniek en de manier waarop gegevens bewaard worden. Door de wildgroei aan verschillende formaten zijn bestanden niet altijd goed uitwisselbaar met andere apparaten. Van oorsprong was MPEG, in feite een variant op jpeg, het meest bekende formaat, maar dit heeft recentelijk aan populariteit ingeboet. Er zijn drie verschillende versies: MPEG1, -2 en -4. Een populair formaat is AVI. Dit is in feite een open standaard voor Windows, dat met behulp van codecs op verschillende manieren opgeslagen en afgespeeld kan worden. Een ander formaat is MOV, ofwel Apple Quicktime. Een recente ontwikkeling is het AVCHD-formaat dat ontwikkeld werd door Sony en Panasonic. Dit is gebaseerd op MPEG4 en Dolby AC-3 en kan worden afgespeeld op blu-ray-spelers.

Beelden per seconde

Wanneer je serieus gaat filmen zijn ook het aantal beelden per seconde – veelal uitgedrukt in fps – van belang. Toen Canon uitkwam met haar eerste filmende reflex, de 5D Mark II, was er kritiek uit de filmwereld. De Canon filmde met 30 fps, terwijl in de filmwereld 24 fps gebruikelijk is. De concurrerende Nikon D90 filmde wel met 24 fps en was daardoor – ondanks het 720p-formaat – in eerste instantie een betere keus dan de 5D Mark II (1080p). Een film met 30 fps laat zich namelijk niet zo makkelijk converteren naar 24 fps – althans niet op professionele niveau. Canon heeft later de firmware aangepast zodat het aantal fps handmatig instelbaar was (24/25/30). Als je puur als consument filmt en hooguit van plan bent een film in de familie- of vriendenkring af te spelen is het aantal beelden per seconde niet iets om je druk over te maken. Heb je echter ambities of film je voor een derde partij, dan is het handig om hier rekening mee te houden.

Eric van Ballegoie heeft een interessant praktijkartikel geschreven op Technyx, in blogvorm. Met een Canon EOS 60D en wat andere camera’s heeft hij een videoclip opgenomen voor de band Run Free. Het geheel is bewerkt met Adobe Premiere CS5. De clip kun je hieronder bekijken. Wil je weten hoe deze precies gemaakt is, lees dan zijn verhaal.

Zoals gezegd, sommige compactcamera’s doen het automatisch en sommige doen het simpelweg niet, maar bij spiegelreflexcamera’s gaat het scherpstellen meestal niet optimaal – net zoals tijdens live view, is de autofocus van de camera tijdens het filmen beperkt. Dat komt doordat de spiegel opgeklapt is en de autofocussensoren (die in contact staan met de spiegel) daardoor niet werken. Net zoals bij live view kun je de camera het beste van tevoren scherpstellen. Een groothoeklens werkt het beste, omdat deze de meeste scherptediepte biedt, waardoor de kans op onscherp beeld veel kleiner is dan met bijvoorbeeld een telelens. Ook zoomen is in principe niet gewenst, omdat de camera dan opnieuw moet scherpstellen. Van tele naar groothoek kan wel, maar andersom zal al snel onscherp beeld opleveren.

Handmatig scherpstellen

Het werkt het beste om tijdens het filmen handmatig scherp te stellen. Dit vergt wel enige oefening en is niet altijd ideaal. Maar je kunt dan zelf veel sneller inspelen op veranderende situaties dan de camera dat kan. Je kunt de lens (of camera) tijdens het filmen het beste in de MF-stand zetten (handmatig). Bij bepaalde lenzen is dit niet nodig, omdat deze altijd handmatig gecorrigeerd kunnen worden. Om het gebruiksgemak tijdens filmen met een spiegelreflexcamera te verbeteren bieden meerdere bedrijven inmiddels ‘rigs’ aan. Middels een combinatie van buisjes, klemmen en steunen is het hiermee mogelijk om de camera op of tegen de shouder te laten steunen en met een zogenaamde ‘follow focus’ ook het scherpstellen makkelijker te maken. Dergelijke rigs zijn naar eigen smaak samen te stellen, maar de kosten lopen al snel op tot ver boven de duizend euro.


Een ‘rig’ zoals deze van Zacuto biedt meer stabiliteit tijdens het filmen en maakt makkelijker scherpstellen mogelijk.
De prijs van dit soort hulpmiddelen is echter stevig.

Spelen met scherptediepte

Het bijzondere aan filmen met een spiegelreflex is het ‘spelen’ met beperkte scherptediepte. In vergelijking met reguliere videocamera’s en compactcamera’s is het verschil tussen scherpte en onscherpte veel groter en dat kan fraaie beelden opleveren (denk dan bijvoorbeeld aan een scherpe uitgestrekte hand en een onscherp gezicht). Lichtsterke lenzen (zoals f2.8 of beter) zijn een pre. De functionaliteit van veel spiegelreflexcamera’s is echter beperkt. De belichting, op basis van de sluitertijd en het diafragma, wordt vaak volledig automatisch geregeld. Je kunt dus niet altijd zelf een diafragmawaarde kiezen, waarmee je de scherptediepte bepaalt. Het is wel mogelijk door de contacten van de lens af te plakken. De camera kan dan niet meer met de lens communiceren en zal automatisch de grootste lensopening gebruiken, met een groot scherptediepte-effect als gevolg.

Een andere methode is het gebruiken van oude handmatige lenzen. Uitgezonderd enkele nieuw aangekondigde handmatige lenzen, gaat het dan om lenzen van minimaal twintig jaar oud die geproduceerd zijn vóór het autofocustijdperk. Het voordeel van deze lenzen is dat ze een diafragmaring hebben. Hiermee kun je op ieder moment het diafragma wijzigen, dus ook tijdens het filmen. De camera past de belichting er automatisch op aan. Dergelijke lenzen vind je voor een paar tientjes op bijvoorbeeld Marktplaats, Speurders of eBay. Je hebt meestal wel een adapter nodig om ze te kunnen gebruiken. Er is een groot aanbod van M42-lenzen (ook bekend als p-draad). Met een bijpassende M42-adapter kun je deze op je camera monteren.

Met een ‘oude’ lens uit het analoge (en non-autofocus) tijdperk, kun je het diafragma wijzigen tijdens het filmen.
(afgebeeld: Pentacon 50mm f1.8)

Wie filmt, ontkomt eigenlijk niet aan de nabewerking. Voor jezelf is de complete opname misschien een aardige herinnering, maar voor anderen zijn er legio passages die saai zijn als ze te lang duren. Bovendien zijn er maar weinig mensen die graag meer dan een uur naar andermans vakantiebeelden kijken. Ook documentaires op de tv zijn zelden langer dan 50 à 60 minuten. Voor vertoning aan anderen moet je de opname dus redigeren door er de minder interessante delen uit te knippen. Bovendien is er vaak een betere volgorde aan te brengen in de opnamen, zodat ze een mooier verhaal vertellen. Een film chronologisch afspelen is niet altijd even logisch. Bewaar de complete opname, en maak er een kopie van om die met de computer te bewerken. Dat is niet moeilijk en je kunt er ook nog fraaie (overgangs)effecten, teksten en muziek aan toevoegen. Daarvoor heb je wel beeldbewerkingssoftware nodig. Windows-gebruikers beschikken standaard over Windows Movie Maker en voor Apple-gebruikers is iMovie perfect. Ook wordt er meestal een basispakket meegeleverd bij een camcorder of fotocamera, maar wie serieus aan de slag wil, kan beter een uitgebreider programma aanschaffen. In het begin zijn alle fraaie effecten van dergelijke software heel interessant om te proberen, maar voor vertoning aan anderen is het de kunst om het simpel te houden. Een overdaad aan verbluffende effecten kan ook averechts werken.

Software

De camerafabrikant levert software mee om uw videobeelden te bewerken. Deze heeft echter beperkte functionaliteit. Goede en betaalbare alternatieven zijn Adobe Premiere Elements, Pinnacle Studio, Corel Video Studio, Windows (Live) Movie Maker en iMovie (Apple). Uiteraard kun je je videofilms ook uploaden naar YouTube. Wanneer de film af is, kun je deze (met behulp van videosoftware) ook op een schijfje zetten. Een beschrijfbare dvd is het standaardmedium, maar films met hd-kwaliteit (om af te spelen op een hdtv) kunnen het beste op een Blu-ray schijfje worden gebrand. Blu-Ray is het meest geschikte medium voor films in hd-kwaliteit, maar je hebt wel een Blu-Ray speler nodig (in uw computer of naast de tv) om de film af te spelen. Je kunt hd-materiaal ook op een dvd opslaan, maar dan is de capaciteit beperkt tot maximaal 20 minuten.

Wanneer je in hd hebt gefilmd, komen je filmbeelden het best tot hun recht op een hdtv. Je kunt de camera aansluiten via een HDMI-kabel.

Fotograferen tijdens het filmen

Bij sommige camera’s is het mogelijk om tijdens het filmen te fotograferen. Hoewel hd-kwaliteit goed is, haalt de beeldkwaliteit het niet bij de fotoresolutie met tig megapixels. De video-opname wordt wel even gestopt tijdens het fotograferen en gaat dan weer verder wanneer de foto gemaakt is. Bedenk wel dat er dan een ‘gat’ en vreemde overgang in het videobeeld zit, dat er via videobewerkingssoftware het beste kan worden uitgeknipt (of worden voorzien van een meer vloeiende overgang). Ook de timing is van belang. Foto’s maken tijdens het ‘ja-woord’ van een huwelijksceremonie is niet verstandig, want dat staat dat moment dus niet compleet op film. Het is in die gevallen altijd beter om de taken te verdelen. Overigens zijn er ook camera’s waarbij je zonder onderbreking kunt fotograferen tijdens het filmen.

Een fotocamera is natuurlijk ontworpen om foto’s mee te maken en niet om te filmen. Ze zijn daardoor niet altijd even handig in het gebruik als een camcorder. Gelukkig zijn er wel diverse accessoires te koop om dit vergemakkelijken.

Videogrip

Een fotocamera wordt anders vastgehouden dan een filmcamera. Met name wanneer je lang uit de hand filmt, kan dat vrij pijnlijk worden. Daarom komen er veel accessoires op de markt, waarmee je eenvoudiger kunt filmen. Bijvoorbeeld deze set van Zacuto (dat filmaccessoires maakt voor het professionele circuit, maar nu ook voor spiegelreflexcamera’s).

Dankzij een speciale grip voelt een fotocamera ineens als een videocamera .(beeld: Zacuto)

Statief

Een handig hulpmiddel tijdens het filmen is een statief. Daarmee is het beeld superstabiel en er is nog alle vrijheid om naar links en rechts (en zelfs naar boven en beneden) te bewegen. Een los verkrijgbare videolamp is erg handig als er binnen – of in de avondschemering – wordt gefilmd.

Externe lamp

Bij gebrek aan licht kun je tijdens het fotograferen altijd gebruikmaken van de (ingebouwde) flitser. Tijdens het filmen is dat echter niet mogelijk (uitgezonderd de nieuwe Canon 320EX). Gelukkig zijn er wel accessoires te koop die je op de flitsschoen van de camera kunt monteren. Deze zijn meestal oorspronkelijk ontworpen voor videocamera’s, maar passen ook op een universele flitsschoen. Ze zijn er zowel op basis van batterijen als met externe voeding.

Wanneer je tijdens het filmen last hebt van weinig licht kunt u een externe lamp gebruiken. Deze past op de flitsschoen.

Microfoon

Zoals eerder gesteld is de interne microfoon niet ideaal om geluid op te nemen. Wilt je het echt goed aanpakken dan kun je het beste een externe microfoon gebruiken. Bepaalde cameramodellen hebben een aansluiting voor een externe microfoon. Maar je kunt ook een losse microfoon kopen en het geluidsspoor later toevoegen aan de opname met behulp van videobewerkingssoftware.

Loep

Een loep is handig om nauwkeuriger te kunnen scherpstellen tijdens het filmen. De loep wordt op het lcd-scherm gemonteerd, waarna hij het scherm vergroot weergeeft. Dankzij de oogschelp heb je geen last meer van de omgeving en kun je je geheel concentreren op wat je door de lens ziet.

Basiskennis: Diafragma

Het diafragma. Eén van de belangrijke fotografietermen, maar veelal onbegrepen of onbenut. Waar staat het diafragma voor, hoe vertalen de waarden zich, hoe gebruik je het en…  wat kun je er eigenlijk mee?

Het f-getal

Het diafragma van een lens bestaat uit een aantal lamellen waarmee de lensopening kan worden verkleind. Hoe groter de lensopening is, des te lichtgevoeliger de lens is en hoe kleiner de scherptediepte is. Dit resulteert bijvoorbeeld in een scherp portret met een onscherpe achtergrond, wat je krijgt bij volle lensopening (zoals f2.8). Wanneer de lensopening kleiner wordt (bijvoorbeeld f8) heeft dit twee effecten: er komt minder licht binnen, wat resulteert in langere sluitertijden, en de scherptediepte wordt groter. Wil je bij een portret zowel de persoon als de achtergrond scherp hebben, dan moet je dus een zeer kleine lensopening gebruiken (zoals f22). Het begint dus wat verwarrend: een groter getal betekent een kleinere lensopening. Laten we eens kijken hoe dat er in de praktijk uitziet:

Diafragma f2.8 (volle lensopening)

Diafragma f5.6 (de lensopening sluit zich)

Diafragma f22 (de lensopening is op het kleinste punt)

Verklaring

Aan de drie bovenstaande beelden kun je dus zien wat er zich allemaal in de lens afspeelt. Bij volle lensopening komt er het meeste licht naar binnen. De camera krijgt dan het meeste licht en is in staat snelle sluitertijden te halen. Dat verklaart ook direct het verschil tussen f5.6, f4 en f2.8 lenzen. Hoe lager de waarde, des te groter de lensopening en dus des te lichtsterker de lens is. Wanneer je de diafragmawaarde in de P- of A-stand vergroot (bijvoorbeeld naar f8) dan wordt de lensopening kleiner. Het gevolg is dat er minder licht op de sensor valt, wat een langere sluitertijd (of een hogere ISO, otfewel lichtgevoeligheid) tot gevolg heeft. Een kleinere lensopening leidt ook tot een grotere scherptediepte. Oftewel, van voor naar achteren is er meer scherp.

Wanneer je een bepaald scherptediepte-effect wilt bereiken, ofwel veel scherpte of veel onscherpte, dan kun je het beste in de P-, M- of A-stand fotograferen. In de andere standen wordt het diafragma automatisch door de camera bepaald en heb je er zelf weinig invloed in. Hooguit kun je bepaalde programmastanden, zoals de landschappen- of portretstand als alternatief gebruiken. Daarbij wordt het diafragma ook automatisch bepaald, maar dan optimaal voor het onderwerp (zoals voorgeprogrammeerd).

De A-stand staat voor aperture, wat diafragma betekent. In deze stand stel je het gewenste diafragma in (een grote of kleine lensopening), waarna de camera de sluitertijd (en eventueel ook de ISO) daarop aanpast. Dit is bijzonder handig als je de scherptediepte zelf wilt bepalen, dus met bijvoorbeeld een onscherpe achtergrond of juist zo scherp mogelijk. De meeste fabrikanten noemen dit de A-stand, maar Canon betitelt dit op haar camera’s als ‘Av’ (Aperture value). Je hoeft de waarde één keer in te stellen waarna de camera deze onthoudt en op al je vervolgfoto’s zal toepassen. Vergeet de waarde dus niet weer terug te zetten, als je klaar bent met je onderwerp.

In de P-stand kun je het diafragma ook wijzigen. Het verschil met de A-stand is dat de ingestelde waarde iedere keer automatisch vervalt, enkele seconden nadat je je vinger van de ontspanknop hebt afgehaald. In de P-stand kun je zowel de sluitertijd als het diafragma wijzigen. De M-stand is geschikt als je de volledige controle wilt hebben over zowel de sluitertijd als het diafragma (bijvoorbeeld bij flitslicht).

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op de lantaarnpaal. De achtergrond is onscherp.

Diafragma f4. Er is scherpgesteld op het huis in de achtergrond. De lantaarnpaal is onscherp.

Diafragma f22. Zowel de lantaarnpaal (voorgrond) als het huis (achtergrond) zijn scherp.

Het diafragma heeft een directe invloed op de scherptediepte, oftewel het deel wat scherp en onscherp is. Veel scherptediepte betekent dat een foto van voor tot achter nagenoeg helemaal scherp is, zoals dat bijvoorbeeld voor landschappen gebruikelijk is. Weinig scherptediepte betekent dat een deel van een foto scherp is en een ander deel niet, wat bijvoorbeeld voor portretten als mooi ervaren wordt (omdat het model er dan meer uitspringt). Compactcamera produceren vanwege de relatief kleine sensor en lens per definitie een groot scherptediepte-gebied. Oftewel; het is lastig om onscherpte te creëren. Beperkte scherptediepte kan alleen bereikt worden door flink in te zoomen en tegelijkertijd dicht op het onderwerp te zitten. Bij spiegelreflexcamera werkt deze truc ook, maar dankzij de grote sensor en diverse diafragmastanden is het relatief eenvoudig om de scherptediepte volledig in eigen hand te houden.

Op deze foto’s is het verschil tussen een volle en een kleine lensopening duidelijk zichtbaar. In beide gevallen is op het voorste blikje verf scherpgesteld. De eerste foto is gemaakt met f22, waardoor alles scherp is. En de tweede foto is gemaakt met diafragmawaarde f1.8, wat resulteert in een zeer beperkte scherptediepte. 

 

Diafragma en de lens

De minimale waarde van het diafragma, oftewel bij volle opening, is afhankelijk van de lichtsterkte van de lens. Bij een een f3.5-5.6 lens is de laagste waarde f3.5. Bij een lichtsterke lens kan dat ook f1.8 of f2.8 zijn. Het verschil is dat lichtsterke lenzen minder scherptediepte tonen, oftewel een groter verschil tussen scherpte en onscherpte. Met een dergelijke lens kun je dus een kleiner scherptegebied creëren. Een lichtsterke f2.8 lens kan op f3.5 fotograferen, maar een f3.5-5.6 lens kan dat andersom niet (dus niet op f2.8).

Het scherpstelpunt is in combinatie met beperkte scherptediepte cruciaal. Standaard is erg op de boom scherpgesteld. Ga met je muis op de foto staan en er wordt scherpgesteld op de achtergrond.

Het verkleinen van de lensopening (oftewel het vergroten van de diafragmawaarde) heeft meerdere gevolgen. Allereerst wordt de scherptediepte, dus het deel van de foto dat scherp is, groter. Een bijkomend voordeel is dat lensfouten minder zichtbaar zijn. De meeste lenzen zijn bij volle opening (zoals f3.5) niet topscherp. Iets afstoppen, oftewel een grotere diafragmawaarde kiezen, compenseert dat. Hetzelfde geldt voor vignettering, oftewel onscherpte in de hoeken. Het sweetpoint van de meeste lenzen ligt tussen f8 en f11. Op dat punt leveren ze de scherpste resultaten met de minste lensfouten. De lens verder dichtdraaien heeft meestal geen zin, omdat de resultaten niet veel beter kunnen worden en vaak zelfs iets minder goed zullen zijn. Bij studiofotografie wordt dan ook meestal met een diafragmawaarde tussen de f8 tot f11 gefotografeerd, omdat de resultaten van de lens dan optimaal zijn. Een ander effect van een kleine lensopening is ‘stervorming’. Een sterk lichtgevend object, zoals de zon of heldere lampen in de nacht, krijgt een stereffect door interne reflecties op de randen van het diafragma. Door het aantal punten van de ster te tellen kunt u zien over hoeveel lamellen de lens beschikt. Hoewel dit in feite ook een lensfout is, is dit fenomeen behoorlijk geaccepteerd in de fotowereld en wordt het zelfs als mooi ervaren. Een nadeel van het gebruik van een kleine lensopening is dat stof op de sensor ook nadrukkelijker zichtbaar wordt. Immers, de scherptediepte wordt groter waardoor alle objecten, ver weg én dichtbij, scherp worden weergegeven.

Weinig scherptediepte is vooral bij portretten zeer wenselijk, omdat dit tot een onscherpe achtergrond leidt. (model: Zoë Vialet)

Basiskennis: Lichtgevoeligheid (ISO) en ruis

De lichtgevoeligheid van de sensor wordt uitgedrukt in ISO. Veelal een waarde tussen de 100 en 6400. Maar hoe kun je hier het beste mee omgaan? Het is bijna niet meer voor te stellen, maar in de tijd van fotorolletjes moest je voor verschillende lichtomstandigheden andere films gebruiken, meestal variërend van 100 tot 400 ISO. Dat was erg onhandig, want het betekende dat soms halverwege een rolletje moest terugspoelen en een nieuwe rol film gebruiken. Met de komst van de digitale camera kun je direct overschakelen naar een andere lichtgevoeligheid en zo makkelijker inspelen op verschillende situaties. In de automatische stand doet de camera dit geheel automatisch voor je, maar er zijn diverse situaties waarbij je de ISO-waarde beter zelf kunt instellen.

ISO en ruis

Een sensor heeft altijd een optimale stand waarin de hoogst mogelijke beeldkwaliteit gehaald wordt, met minimale beeldruis. In de meeste gevallen is dit de laagste ISO waarde (veelal ISO 100). Om verschillende ISO-standen te simuleren wordt de spanning op de sensor verhoogd, waardoor deze gevoeliger wordt voor licht. Je kunt dan foto’s blijven maken met hoge sluitertijden, zonder dat je een statief nodig hebt. Het gevolg is wel dat er meer beeldruis ontstaat, naarmate de ISO opgeschroefd wordt. In de automatische stand kiest de camera zelf de juiste lichtgevoeligheid, afhankelijk van de hoeveelheid omgevingslicht en de sluitertijd die behaald kan worden. Aangezien langzame sluitertijden (minder dan 1/60e seconde) meestal leiden tot bewogen (en dus onscherpe) foto’s is meer lichtgevoeligheid van de sensor wenselijk wanneer er weinig licht is. Bijvoorbeeld ’s avonds, maar ook in binnensituaties.

Dankzij de almaar beter wordende sensoren kun je tegenwoordig prima uit de hand fotograferen in combinatie met hoge ISO-waarde.  De foto hierboven is gemaakt met een lichtgevoeligheid van 3200 ISO.

Praktijk

Voorbeeld: stel je camera staat ingesteld op 100 ISO en je zit in het theater, met relatief weinig licht. De camera zal dan mogelijk maximaal een sluitertijd van 1/15e seconde halen (of nog langzamer), met als gevolg dat de opname vrijwel zeker bewogen is. Flitsen is (op grote afstand) geen optie, dus de enige mogelijkheid is een hogere lichtgevoeligheid. Als je je camera op 400 ISO zet kun je een sluitertijd van 1/60e halen. Dit is in veel gevallen voldoende, tenzij het onderwerp heel snel beweegt. Een gevoeligheid van 1600 ISO zou zelfs een sluitertijd van 1/250e mogelijk maken, waardoor de opname zeker haarscherp is. Uiteraard zijn sluitertijden gekoppeld aan diafragmawaarden en die zijn weer afhankelijk van de lichtsterkte van je lens. Kan je camera hoge ISO-waarden aan en leveren die nog een goed resultaat op, dan kun je met een standaardlens (b.v. f5.6) al snel bewegingsvrije foto’s maken. Is 400 ISO het maximaal bruikbare, dan is een lichtgevoelige lens (b.v. f2.8) waarschijnlijk noodzakelijk. Met een f2.8 lens kun je op 400 ISO dezelfde sluitertijden halen als met een f5.6 lens op 1600 ISO.

Op ISO 100 produceren compactcamera’s prima beeldkwaliteit. Op hogere ISO’s zoals ISO 1600 verliest de opname kleur en worden details korrelig en ruizig (zie hierboven).

De resultaten per camera verschillen nogal. Sommige compactcamera’s maken op 800 ISO nog bruikbare foto’s, terwijl met andere modellen beter alle ISO-standen boven de 200 vermeden kunnen worden. Dit heeft te maken met de ruisalgoritmes van de camera en de sensoromvang. Hoe groter de sensor, des te groter de pixels ook zijn en hoe meer licht ze opvangen. De lichtgevoeligheid kan dan verder worden opgevoerd. Daarom zie je vaak dat compactcamera’s vaak niet verder gaan dan 1600 ISO, terwijl 6400 ISO bij digitale spiegelreflexen al zeer gebruikelijk is. Dat verklaart tegelijkertijd waarom een spiegelreflex over het algemeen minder ruis produceert, waardoor hogere ISO’s gebruikt kunnen worden. Grofweg kunnen we stellen dat 400 ISO ongeveer overeenkomt met 1600 ISO op een digitale spiegelreflex. Het is dus zaak om uit te zoeken tot welke lichtgevoeligheid je camera bruikbare resultaten oplevert. Een lage ISO-waarde leidt tot weinig ruis, maar mogelijk een bewogen opname door trage sluitertijden. Een hoge ISO-waarde biedt scherpere resultaten, maar ook meer beeldruis.

ISO 1600 op een spiegelreflex (Nikon D5000, boven) en een willekeurige compactcamera.

De meeste digitale spiegelreflexen (en alle compactcamera’s) bieden tegenwoordig een Auto-ISO stand. Hoewel het beter is om alle instellingen in eigen hand te houden, worden de mogelijkheden voor gevorderd gebruik vaak onderschat. Auto-ISO is niet alleen handig voor beginners. In de automatische stand van je camera zal de lichtgevoeligheid van de sensor (ISO) automatisch door de camera worden bepaald, net zoals de sluitertijd en het diafragma. Is er genoeg licht, dan zal de camera een lage lichtgevoeligheid kiezen, zoals ISO 100 of 200 en bij weinig licht zal dat opgeschroefd worden naar ISO 400 en hoger. Vooral wanneer de flits uitstaat, zal de lichtgevoeligheid flink opgevoerd worden om het beperkte licht te compenseren.

Met een hoge lichtgevoeligheid kun je zonder probleem uit de hand blijven fotograferen. Maar vanaf ISO 800 en hoger krijg je wel te maken met een vervelen neveneffect: ruis. Je kunt de ruis beperken door continu mee te denken met je camera. Wil je in het donker fotograferen, gebruik dan eventueel een statief zodat je lagere ISO-waarden kunt gebruiken. Is het fotografen met hoge ISO’s noodzakelijk, let er dan op dat de camera dit op een acceptabel niveau doet. De ene camera produceert al storende ruis op ISO 800, terwijl de andere probleemloos op ISO 3200 gebruikt kan worden. Controleer welke stand voor jou nog acceptabel is en zorg ervoor dat de lichtgevoeligheid hier niet bovenuit komt. Bij sommige camera’s kun je de maximale waarde ook instellen (wat een hoop ellende kan voorkomen).

Bij sommige camera’s kun je de maximale ISO-waarde instellen

Handmatige ISO

Gevorderde fotografen houden het liefst alles in de hand, dus ook de ISO-waarde. Maar toch kan Auto-ISO erg handig zijn in bepaalde situaties. Bijvoorbeeld wanneer je fotografeert in een omgeving met grote contrastverschillen. Denk bijvoorbeeld aan een voetbalwedstrijd, waarbij een deel van het veld in de felle zon staat en een ander deel in de schaduw. Beide delen vragen eigenlijk om afzonderlijke instellingen, maar dat is lastig tenzij je met twee camera’s werkt. Auto‑ISO kan hierop inspelen, zodat de waarden voor de sluitertijd en het diafragma nagenoeg gelijk kunnen blijven. Soms kun je zelfs instellen wanneer de camera Auto-ISO mag gebruiken, bijvoorbeeld alleen wanneer de sluitertijden onder de 1/100e seconde dreigen te geraken (en soms kun je ook een maximale ISO-waarde). Auto-ISO is dus niet alleen iets voor consumentencamera’s, ook professionele modellen beschikken hier tegenwoordig over. De stand is erg handig, maar let er op dat de lichtgevoeligheid niet hoger wordt dan noodzakelijk.

Hierboven zie het effect van het verhogen van de ISO-waarde, getest op een Canon EOS 60D met de volgende ISO-waarden: 1600, 3200, 6400, 12.800 (let op: de foto is een uitsnede van een grotere foto op 100%)

Heb je geen statief bij je en wil je een bepaalde foto in zeer slechte lichtomstandigheden maken? Je enige redding is dan de ISO opschroeven naar een hoger niveau. Misschien wel hoger dan je lief is. Het is dan kiezen tussen ruis of een onscherpe foto. Met een lage ISO-waarde zal je camera een te lange sluitertijd kiezen. Het gevolg daarvan is dat er bewegingsonscherpte ontstaat. Bijvoorbeeld door lichte trillingen van je hand (die versterkt worden naarmate je meer tele gebruikt) of door een bewegend onderwerp. Bewogen foto’s zijn slecht via beeldbewerking te corrigeren. Onscherp blijft vaak onscherp. Ruis daarentegen is tegenwoordig met behulp van gespecialiseerde ruisreductiesoftware redelijk makkelijk te verminderen – in ieder geval tot het punt waarop het niet meer storend is. Hieronder zie je een (sterk uitvergroot) voorbeeld. Voor de eerste twee foto’s is ISO 12.800 respectievelijk 6400 gebruikt. De ruis is nadrukkelijk aanwezig, maar de foto is scherp. Bij de laatste twee foto’s (ISO 3200 en 1600) is de ruis veel minder storend, maar is de foto wel bewogen – dus onscherp…

Oeps, ISO vergeten…

Een veelgemaakte fout met digitale spiegelreflexcamera’s is een verkeerde instelling van de ISO (oftewel de lichtgevoeligheid). Wanneer je in omstandigheden met weinig licht fotografeert, is het logisch dat je de lichtgevoeligheid van de sensor aanpast door de ISO-stand op te voeren naar bijvoorbeeld 1600 ISO. Een veelgemaakte fout is echter dat de camera vervolgens op die stand blijft staan, ook wanneer ondertussen buiten gefotografeerd wordt met prachtig weer. Niets is erger dan bij volle zon met ISO 1600 fotograferen, want het gevolg is dat je foto’s er  grof en korrelig uitzien, terwijl dat volstrekt onnodig is. De meer gevorderde camera’s tonen vaak de ISO-stand in de zoeker of lcd-scherm, maar helaas lang niet allemaal. Probeer met enige regelmaat je instellingen en de opnamegegevens van je gemaakte foto’s te controleren. Ook wanneer je inzoomt op je foto’s kun je ontdekken dat je een te hoge ISO-stand gebruikt. Wanneer je camera opeens vrij hoge sluitertijden gebruikt (van bijvoorbeeld 1/2000e seconde), kan dit een teken zijn dat de lichtgevoeligheid van de sensor te hoog staat ingesteld. Het is helemaal veilig om standaard de ‘auto-ISO’-stand te gebruiken en alleen in bepaalde situaties de lichtgevoeligheid te verhogen.

Basiskennis: Sluitertijd

Als er iets is dat je moet weten over de werking van je camera, dan is het wel het begrip ‘sluitertijd’. Hiermee maak je het verschil tussen een scherpe en onscherpe foto, door bijvoorbeeld actiemomenten te ‘bevriezen’ of juist beweging te forceren met lange sluitertijden. Sinds camera’s standaard beschikken over een ingebouwde lichtmeter, al sinds eind jaren tachtig, ontstond de zogenaamde automatische stand. In deze stand zorgt de camera voor een optimale belichting door zelf de sluitertijd en het diagrafma te bepalen. Later werd daar nog autofocus aantoegevoegd, waardoor ook de afstand tot het onderwerp kon worden gemeten. Handig, maar ook dodelijk voor de creativiteit van amateurfotografen. Want de mooiste resultaten bereikt je door de sluitertijd handmatig te beïnvloeden. Sommige situaties vereisen dit zelfs.

Sluitertijd…Wat is dat?

Sluitertijden variëren in de fotografie doorgaans van enkele minuten tot éénachtduizendste seconde. Veel camera’s hebben de mogelijkheid om zelf een sluitertijd (en diafragma) in te stellen. Bijvoorbeeld via de M-, S- of A-stand. In de P- en A-standen kunt je de sluitertijd beïnvloeden door een kleinere of grotere diafragmawaarde te bepalen. Beschikt je camera niet over deze standen, dan kan invloed op de sluitertijd worden uitgeoefend door de ISO te verlagen of verhogen, eventueel in combinatie met belichtingscompensatie (de knop met het plusje en minnetje). Simpel gezegd bevriest een snelle sluitertijd alle actie, waardoor het onderwerp in de foto scherp wordt vastgelegd. Dit is essentieel wanneer je te maken hebt met een snel bewegend onderwerp, zoals bijvoorbeeld een rijdende auto, spelende kinderen of dansende mensen.

Onscherpe foto’s voorkomen

Een te lange (oftewel te langzame) sluitertijd zorgt voor een onscherpte foto. Dat komt door bewegingsonscherpte; de beweging van het onderwerp is in de foto terug te zien. Dit ligt dus niet aan de fotograaf en ook niet aan de camera. Een camera weet immers niet dat er snel bewegend onderwerp wordt gefotografeerd waarvoor een snelle sluitertijd nodig is. Je moet dit dus zelf instellen, hetzij via een handmatige stand of via de zogenaamde sportstand (waardoor de camera zelf een snelle sluitertijd kiest). In situaties met weinig licht moet je sowieso erg oppassen met te lange sluitertijden. Wanneer je geen flitser gebruikt, zal de camera het weinige licht willen compenseren met een lange sluitertijd. Zowel beweging van het onderwerp als minimale bewegingen van uw hand zullen tot een bewogen – dus onscherpe – foto leiden.

Een handige richtlijn is dat de sluitertijd nooit lager mag zijn dan de brandpuntsafstand van de lens. Fotografeer je met 100 mm, dan moet de sluitertijd dus minimaal 1/100e seconde bedragen om een scherpe foto te produceren. Is de sluitertijd lager, dan neemt de kans op onscherpte razendsnel toe. Deze richtlijn is het minimum. Fotografeer je een bewegend onderwerp, zoals een artiest tijdens een concert, dan moet de sluitertijd nog een stuk hoger liggen. Afhankelijk van de mate van beweging kan dit op lopen van een minimum van 1/120e tot 1/200e seconde. Denk er om dat beeldstabilisatie in de camera of de lens, wat tegenwoordig standaard is, niet betekent dat je de sluitertijd ongestraft kunt verlagen. Beeldcompensatie compenseert alleen de lichte trillingen van de hand en niet de beweging van het onderwerp. Het is dus nuttig voor statische onderwerpen, maar niet voor actie.


Fotograferen tijdens een concert vereist snelle sluitertijden om bewegingsonscherpte te voorkomen (op de foto: Marlies Schuitemaker van de band Aniday)

Snelle sluitertijden zijn dus noodzakelijk wanneer je een bepaalde actie wilt bevriezen. Los van de sluitertijdrichtlijn die aan de brandpuntsafstand van de lens gekoppeld is, speelt ook de mate van actie een grote rol. Zoals eerder gezegd, bij een concert zijn sluitertijd van 1/160e tot 1/200e seconde zeer gangbaar. Op het voetbalveld is er nog veel meer actie. Een sluitertijd van 1/500e seconde is daar het absolute minium. Nog liever wordt er gewerkt met sluitertijden van 1/640e tot 1/1000e seconde, om er zeker van te zijn dat alle actie bevroren wordt. Bewegingsonscherpte is in zo’n geval zeer onwenselijk. Bij extreme sporten, zoals een motorrace, zijn nog hogere sluitertijden aan te raden. Omdat dit sterk afhangt van de lens, de brandpuntsafstand, de lichtomstandigheden, de afstand en de snelheid van het onderwerp is het aan te raden om voordat je serieus gaat fotograferen eerst een aantal testfoto’s te maken. Deze bekijk je vervolgens (ingezoomd) op het lcd-scherm op zoek naar bewegingsonderscherpte. Overigens zijn er ook uitgangspunten waarbij bewegingsonscherpte èn actiefotografie wel samengaat. Bij het ‘pannen’, waarbij je de camera meebeweegt met het onderwerp, wordt expres een lagere sluitertijd gekozen om bewegingsonscherpte op de achtergrond te forceren terwijl het onderwerp zelf scherp is. Bijvoorbeeld een raceauto in een bocht. Het gevolg: de auto is scherp, de (bewegende) achtergrond onscherp.

 Bij auto- of motorsport is een snelle sluitertijd vereist om de actie te bevriezen. Zoals in dit geval 1/1000e seconde.

 

Voor ‘pannen’, het meebewegen met een bewegend onderwerp, is een lange sluitertijd juist weer het devies.
Zoals in dit geval slechts 1/30e seconde in combinatie met een 400mm lens.

Iedereen kent wel de fraaie foto’s van steden bij nacht. New York, Londen, Parijs – noem ze maar op. Bij nacht voegen alle lampjes een sprookjesachtig effect toe aan foto’s. Het contrast wordt groot omdat een deel van de foto donker (de lucht) en een ander deel licht is (het onderwerp). Voor een goede belichting wordt in de stad eigenlijk al automatisch gezorgd omdat bijvoorbeeld gebouwen van alle kanten belicht worden. Het enige dat je dan nog hoeft te doen is deze avondtaferelen vastleggen met je camera. Zoals gezegd is een statief daarvoor een pré. Weliswaar zijn camera’s tegenwoordig in staat om ook zonder statief (èn natuurlijk zonder flits) nachtopnamen te maken, maar dan wel met een zeer hoge lichtgevoeligheid. Daardoor ontstaat ruis.

Bovendien is een opname met een lange sluitertijd in het donker vaak mooier dan een korte. Niet alleen omdat er gewenste bewegingsonscherpte ontstaat (zoals stromend water), maar ook omdat felle lichten een stervorm krijgen dankzij een kleine lensopening (oftewel grote diafragmawaarde). Een sluitertijd van enkele seconden is minimaal. Mooier wordt het wanneer je 30 seconden of langer belicht. De meeste camera’s kunnen dat.

Lange sluitertijd

Met zo’n lange sluitertijd is een stabiele ondergrond dus echt noodzakelijk. Bijvoorbeeld een stevig statief (dat ook bestand is tegen wind), maar een andere ondergrond, zoals een plat hek, is ook mogelijk. Maak bij lange sluitertijden altijd gebruik van de zelfontspanner (op 2 of 10 seconden). Dat voorkomt namelijk dat het indrukken van de knop per ongeluk beweging veroorzaakt (je zou de eerste niet zijn die dat overkomt). Wanneer je een stevige ondergrond hebt, kunt je lange sluitertijden maken met een lage lichtgevoeligheid (ISO). Dat voorkomt ruis. Kies dan de laagst mogelijke ISO-stand (ISO 50, 100 of 200) en selecteer vervolgens de hoogste diafragmawaarde (bijvoorbeeld F22). In de P- of A-stand zie je dan automatisch de langst mogelijke sluitertijd. In de S- of Tv-stand kunt je ook zelf de sluitertijd kiezen, maar 30 seconden of meer is niet altijd mogelijk omdat dit afhankelijk is van de lichtomstandigheden en de instellingsruimte op de camera (soms is er een afstandsbediening nodig voor langere sluitertijden). Heb je geen statief of andere stabiele ondergrond bij de hand, dan zit er maar één ding op: een hoge ISO-waarde kiezen en uit de hand fotograferen. Dit levert een minder fraai resultaat (met ruis) op, maar is natuurlijk beter dan niets…

 Zonder statief, met een hoge ISO-waarde (1600) en daardoor relatief snelle sluitertijd (1/60e seconde).

Vrijwel dezelfde foto, maar nu met statief, een lage ISO-waarde (50) en een lange sluitertijd van 20 seconden.

Terwijl bij actiefotografie het doel is om de actie te bevriezen, zijn er in veel andere gevallen juist redenen om bewust beweging in een foto te tonen. Het mooiste effect is wanneer een deel van de foto scherp is en een deel onscherp. Een typisch voorbeeld is stromend water. Denk bijvoorbeeld aan een waterval, waarbij het stromende water vanwege onscherpte een mooi spoor achterlaat terwijl de rest van de omgeving wel scherp is. Of een winkelstraat met lopende mensen: de omgeving is scherp, maar alles wat beweegt niet. Om deze effecten te bereiken is een statief wel noodzakelijk. De camera mag namelijk niet bewegen tijdens de opname – ook niet minimaal. Dan wordt namelijk alles onscherp en de truc is juist om een deel scherp en een deel onscherp (bewogen) te hebben. Ook deze methode vereist wel wat instellingen. Het effect is nauwelijks haalbaar in de automatische stand. Om de langst mogelijke sluitertijd te halen moet je uw camera op de laagste ISO-stand zetten. Kies vervolgens de hoogst mogelijke diafragmawaarde (bijvoorbeeld f8 voor compactcamera’s en f22 voor spiegelreflexen). Zelfs dan kan het nog zijn dat er te veel licht is, waardoor je een te snelle sluitertijd haalt en er amper beweging te zien is. In dat geval zijn donkere filters een uitkomst, zoals neutral density- of polarisatie-filters.

Twee foto’s van een waterval. De linker met een normale (automatische) sluitertijd en de rechter met een lange sluitertijd (0,6 seconde)


Bewegingsonderscherpte kan ook mooi zijn, zoals in dit geval een terras gefotografeerd met een lange sluitertijd.

Conclusie

Spelen met sluitertijden is het geheim van een succesvolle foto. Snelle actie bevriezen vereist een snelle sluitertijd, een omgeving met weinig licht kan fraai worden vastgelegd met een langzame sluitertijd en bewuste bewegingsonscherpte overdag of ’s nachts maakt een foto dynamisch. Als je je fotografie naar een hoger niveau wilt tillen is het tijd om eens flink te experimenteren met sluitertijden.

Hoe werkt een D-SLR?

Je staat klaar met je camera in de hand en het onderwerp in het vizier. Je drukt de ontspanknop half in zodat deze scherp gaat stellen en klikt daarna door. Klik, klak en de foto wordt weggeschreven naar het geheugenkaartje, waarna je hem kunt bekijken op het lcd-scherm. Maar wat gebeurt er eigenlijk allemaal IN de camera tijdens het fotograferen, van klik tot digitale foto?

Techniek

Voordat we stapsgewijs door de verschillende processen – van klik tot foto – lopen, nemen we eerst eens een kijkje in de camera. Hierboven zie je de voornaamste componenten die stuk voor stuk onmisbaar zijn voor een digitale spiegelreflexcamera. Je ziet bijvoorbeeld de spiegel (waarvan alleen de linkerzijde te zien is) met daaronder een kleiner spiegeltje (de sub-mirror). Doordat de hoofdspiegel gedeeltelijk licht doorlaat weerkaatst het licht dat binnenkomt via de lens op een kleiner spiegeltje richting de AF array (met de autofocuspunten) en autofocus sensor die onderin de camera zitten. Verder zie je de sensor, met daarboven een plaatje van het vibrerende mechanisme dat stofdeeltjes van de sensor schudt (die op een plakrandje worden opgevangen). Daar weer boven is de sluiterconstructie te zien, die bestaat uit een aantal lamellen die open en dicht gaan in de maat van de sluitertijd. Bij veelvuldig gebruik (van vele tienduizenden foto’s) is dit het eerste onderdeel dat defect gaat (maar wel te repareren is door een nieuwe sluiter te laten plaatsen). Helemaal onderaan zie je een printplaatje met een aantal chips. Dit is het kloppende hart van de camera, met onder andere de beeldprocessor (die nullen en enen omzet naar een plaatje in ofwel jpeg- or raw-formaat).

(beeld: Canon)

1e fase: klaar voor de start!

Voordat de camera in actie komt, begint het voorbereidende werk. Je richt de camera, zoomt in op het gewenste punt en bepaalt de compositie. Via de zoeker kijk je rechtstreeks door de lens. Dit kan doordat het beeld vanaf de spiegel naar het prismahuis reflecteert en daar uiteindelijk via twee andere spiegels bij het oog uitkomt. Daarna druk je ontspanknop half in. Zodra dit doet begint de camera met scherpstellen wordt de sluitertijd en het diafragma gekozen (op basis van lichtmeting). De camera kies het juist scherpstelpunt (of het punt dat door de fotograaf is ingesteld) en stelt acuut scherp.

Scherpstellen

Een spiegelreflex doet dat in vergelijking met compactcamera’s razendsnel. Dat is te danken aan de spiegelconstructie. De hoofdspiegel laat namelijk voor een deel licht door, wat op een klein spiegeltje er onder valt (de sub-mirror). Dit spiegeltje reflecteert het beeld naar autofocussensoren onderin de camera. Dankzij deze speciale sensoren kan een spiegelreflex razendsnel scherpstellen. Bij compactcamera’s (en in live-view modus) gebeurt het scherpstellen op basis van het beeld dat de sensor opvangt, met behulp van contrastdetectie (waarbij de scherpstelling bepaald wordt op basis van contrasten). Dat werkt een stuk langzamer.

2e fase: ontspanknop indrukken

Zodra je de ontspanknop helemaal indrukt komt de camera pas echt in actie. Het beeld dat op dat moment door de zoeker te zien is, wordt opgevangen door de sensor. Om dat mogelijk te maken klapt de spiegel omhoog, die tussen de lens en de sensor inzit. Vervolgens schuiven de lamellen van de sluiter voor de sensor weg en ‘ kijkt’  de laatstgenoemde dan recht door de lens.

Via de lamellen, die zich openen en sluiten, wordt de juiste belichting (sluitertijd) geregeld. (beeld: Canon)

 

Lamellen in de lens

Ook de lamellen van de lens treden op dat moment in werking. Terwijl de lamellen voor de sensor ervoor zorgen dat de sluitertijd exact gehaald wordt, bepalen die in de lens de lensopening en dus de scherptediepte. Stel dat je een F2.8 lens gebruikt en op F2.8 fotografeert dan doen de lamellen niets en fotografeer je met de volle lensopening (het meest lichtsterk). Gebruik je F4, F5.6 of meer, dan schuiven de lamellen in elkaar verkleinen ze de lensopening. Ze vormen een gaatje dat steeds kleiner wordt naarmate de diafragmawaarde toeneemt (zie voorbeeldfoto’s). Een kleinere lensopening leidt tot een grotere scherptediepte. Het scherptegebied wordt dan dus groter, wat handig is als je alles scherp wilt hebben (zoals bij een productfoto of landschap). Wil je juist beperkte scherptediepte (zoals bij een portret met sfeervol licht), dan is een grote lensopening gewenst.

Deze foto’s tonen de werking van de lamellen in een lens.

Links de lens op volle opening (F2.8), midden op F5.6 en rechts op F22 (minimale lensopening).

De sensor wordt blootgesteld aan het licht (oftewel belicht) met een sluitertijd die van te voren (door de camera of fotograaf) is bepaald. Zodra de spiegel opgeklapt is, regelen de lamellen van de sluiter dat de exacte sluitertijd gehaald wordt – meestal variërend van enkele seconden tot 1/8000e seconde. In een fractie van een seconde klapt de spiegel dus open en weer dicht, gaan de lamellen open en wordt de sensor belicht. Op het moment dat de spiegel opgeklapt is, is er door de zoeker niets meer te zien. Maar bij normale sluitertijden heb je daar amper last van.

Meerdere beelden per seconde

Omdat een camera dit zo razendsnel kan, is het mogelijk om meerdere foto’s per seconde vast te leggen. Het exacte aantal varieert per cameramodel, van 2 tot en met 10. Hoe meer beelden per seconde, des te meer er van de sluiter en de spiegel gevraagd wordt. Camera’s die vijf beelden per seconde of meer kunnen vastleggen, gebruiken doorgaans duurdere componenten met een langere levensduur (b.v. 150.000 opnamen of meer).

3e fase: van nullen en enen naar beeld

Op het moment dat de sensor licht heeft opgevangen, start het meest technische proces. Een sensor is opgebouwd uit miljoenen lichtgevoelige diodes, die samen de pixels vormen. Deze diodes vangen licht op. De meeste camera’s werken volgens de zogenaamde Bayer-methode (RGB). Er zijn 25 procent diodes die rood opvangen, 25 procent blauw en 50 procent groen. Op basis van interpolatie worden de tussenliggende pixels berekend (een factor drie meer) en zo ontstaat een compleet plaatje, opgebouwd uit miljoenen kleuren. In een artikel artikel zullen we uitgebreider uitleggen hoe een sensor precies werkt.

De opbouw van een RGB-foto (beeld: Wikipedia)

Buffer

De nullen en enen worden eerst tijdelijk opgeslagen in het buffergeheugen. Dit zijn supersnelle (en ook zeer kostbare) flashchips van circa 32 tot en met 512 MB. Dit buffergeheugen garandeert dat je een bepaald aantal foto’s achter elkaar kunt maken zoals door de fabrikant aangegeven (zoals bijvoorbeeld 22 JPEG’s of 8 RAW’s). Pas als de buffer vol zit, zal de camera op een lager tempo doorgaan met foto’s schieten. Je kunt pas weer op volle snelheid fotograferen wanneer een deel van de foto’s is weggeschreven op een geheugenkaart. Maar daar zit nog één stadium voor.

De foto die in de buffer terecht komt is nog helemaal ruw. Dat wil zeggen dat er nog geen enkele bewerking of compressie aan te pas is gekomen. Sterker nog, er is nog niet eens sprake van een bepaald bestandsformaat. De foto is compleet ongecomprimeerd en neemt daardoor relatief veel ruimte is beslag. Een gemiddelde 10 megapixel-foto mag dan circa 5 MB groot zijn (jpeg), ongecomprimeerd neemt hij circa 17 MB ruimte in beslag. Ter vergelijking: voor een raw-bestand wordt lossless compressie gebruikt (waarbij dus sprake is van compressie, maar zonder kwaliteitsverlies – zoals een ZIP-bestand), waardoor het totaal op ongeveer 10 MB zal uitkomen. Reken voor raw grofweg een MB per megapixel (wat mede afhankelijk is van de concrete beeldinformatie), Een 21 megapixel-foto wordt gemiddeld 25 MB (raw) of 7 MB (jpeg).

Het ruwe bestand moet door de camera gecomprimeerd worden, wat een taak is van de beeldprocessor. Maar nog voor de compressie (op basis van ofwel raw of jpeg) wordt toegepast worden er bepaalde bewerkingen uitgevoerd. Denk dan aan het verkleinen van de foto (indien een lagere resolutie is gekozen), evenals het toepassen van verscherping en kleurverzadiging. Ook moderne instellingen als een hoger dynamisch bereik (zoals Nikon’s D-Lightning of Canon’s ‘Lichte tonen prioriteit’) en een bepaalde kleurstelling (zoals zwart-wit of sepia) worden in dit stadium verwerkt. Daarna is de foto klaar om te worden weggeschreven.

4e fase: wegschrijven

Na alle bewerkingen door de beeldprocessor is de foto klaar om te worden weggeschreven op de geheugenkaart. De snelheid van het wegschrijven is grotendeel afhankelijk van de geheugenkaart. Hoe sneller het kaartje, des te sneller de buffer ook weer leeg is (waardoor je dus weer eerder verder kunt fotograferen). Maar of het ook loont om het allersnelste kaartje te kopen, is voor een sterk deel afhankelijk van je camera. Geen enkele camera haalt de maximale schrijfsnelheid (zoals 30 MB/s voor SD 150x en 50 MB/s voor CF 333x). Een snel kaartje leidt wel tot snellere schrijfsnelheden dan een langzame, maar of het verschil in prijs daar ook tegenop weegt is sterk afhankelijk van het model (en of deze bijvoorbeeld ook ondersteuning biedt voor UDMA CompactFlash).

5e fase: terugkijken

De laatste fase is het meest concreet. De foto is dan weggeschreven en je ziet deze verschijnen op het lcd-scherm. Je kunt controleren of de compositie naar wens is en inzoomen om te kijken of de scherpte en scherptediepte klopt. Let ook op het histogram. Niet geheel tevreden? Dan kun je de foto natuurlijk gewoon verwijderen en een nieuwe maken. Het hele proces begint dan weer van voren af aan.

(beeld: Canon)